Appellant, een ondernemer met een eenmanszaak in schoonmaakwerkzaamheden, werd geconfronteerd met correctienota’s van het UWV over de jaren 2003 tot en met 2005, gebaseerd op een boekenonderzoek van de Belastingdienst. Dit onderzoek concludeerde dat de loonadministratie van appellant niet voldeed aan de eisen, met een groot aantal ontbrekende uren die vermoedelijk wel zijn uitbetaald.
Het UWV stelde op grond hiervan de verschuldigde premies ambtshalve vast, wat door appellant werd bestreden. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de administratie van appellant onvoldoende was om een betrouwbare vaststelling mogelijk te maken.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de premies ambtshalve had vastgesteld op basis van omzetgegevens en het rapport van de Belastingdienst, en dat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had aangevoerd om de schatting te weerleggen. Ook werd het verzoek om terugverwijzing wegens schending van de hoorplicht afgewezen omdat appellant geen nadeel had ondervonden in de beroepsprocedure.
De Raad concludeerde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de premies ambtshalve mag vaststellen ondanks een gebrekkige loonadministratie en vernietiging van het besluit wegens schending van de hoorplicht.
Uitspraak
11/2462 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2011, 09/212 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Zilver, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Vooropgesteld wordt dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), zoals die luidde ten tijde van belang.
2. Appellant voerde onder de naam [adresnaam bedrijf] een eenmanszaak voor de uitoefening van schoonmaakwerkzaamheden. In 2007 hebben medewerkers van de belastingdienst een boekenonderzoek bij hem uitgevoerd over de jaren 2002 tot en met 2005, van welk onderzoek een rapport van 25 juni 2008 is opgemaakt. In dit rapport, in paragraaf 9.6.2 Conclusie, staat onder meer het volgende (waarbij appellant is aangeduid als ondernemer dan wel als inhoudingsplichtige):
“De uren waarover loon wordt betaald, vermeerderd met de uren waarop door de ondernemer en zijn echtgenote werk is verricht komen niet overeen met het aantal uren dat uit de facturen en overeenkomsten kan worden afgeleid. De afwijking is, ook na rekening te hebben gehouden met een aanvaardbare speling, zowel relatief als absoluut dusdanig groot dat deze niet door een incidentele vergissing kan zijn ontstaan. Wij berekenen, naar onze mening in alle redelijkheid, de ontbrekende uren in de loonadministratie op 5.100 in 2004 en 5.400 in 2005. Wij stellen dat voor de verrichte werkzaamheden in de ontbrekende uren in enige vorm een beloning moet hebben plaatsgevonden. Aan wie deze beloning is uitbetaald kan niet worden vastgesteld. Wij stellen vervolgens dat met betrekking tot de jaren 2004 en 2005 niet de vereiste aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen zijn gedaan. De inhoudingsplichtige beschikte niet over een urenadministratie waaruit blijkt dat onze conclusies niet terecht zouden zijn.”
3.1. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft het Uwv de hieruit voortvloeiende correcties voor de premieheffing werknemersverzekeringen berekend voor de jaren 2003 tot en met 2005. Deze correcties zijn neergelegd in een rapport van 11 september 2008. Dit rapport heeft het Uwv bij brief van dezelfde datum aan appellant gezonden. Daarbij zijn correctienota’s in het vooruitzicht gesteld. Appellant heeft hierop gereageerd.
3.2. Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2008 heeft het Uwv ten laste van appellant correctienota’s vastgesteld over de jaren 2003 tot en met 2005.
3.3. De tegen deze besluiten namens appellant gemaakte bezwaren zijn door het Uwv bij besluit van 12 december 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
4.1. De rechtbank heeft hiertoe allereerst geconstateerd dat appellant in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om te worden gehoord en dat het Uwv heeft erkend dat appellant niet is gehoord zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient te worden vernietigd.
4.2. De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb termen aanwezig geacht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en hiertoe het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder:
“2.8 Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de tekortkomingen in de loonadministratie van eiser zoals deze zijn verwoord in het rapport van de Belastingdienst van 25 juni 2008, de gevolgtrekking gerechtvaardigd dat eiser een administratie voerde welke niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en eiser in strijd met artikel 10, tweede lid, van de CSV in gebreke is gebleven een volledige loonopgave te verstrekken. (…) Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is het in een dergelijk geval aanvaardbaar dat verweerder onder toepassing van artikel 12, eerste lid, van de CSV, de verschuldigde premies ambtshalve aan de hand van de omzetgegevens en op grond van de tijdens het onderzoek verkregen gegevens vaststelt, indien de administratie een betrouwbare vaststelling niet mogelijk maakt. Uitgangspunt daarbij is dat een dergelijke schatting wel realiteitswaarde moet hebben en de (uitkomst van de) schatting toetsbaar moet zijn. Vervolgens geldt voor eiser de bewijslast dat hij (in bezwaar en beroep) zal moeten aantonen dat de berekeningen, zoals in deze zaak met name van belang weergegeven in hoofdstuk 9.6 van het rapport van de Belastingdienst, onjuist zijn.
2.9 De rechtbank ziet (…) geen reden om de gehanteerde schattingsmethode en de uitkomst daarvan niet aanvaardbaar te achten. Eisers eerst ter zitting ingenomen standpunt dat de schatting onjuist is omdat niet alle geoffreerde uren ook zijn gedeclareerd, is niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens door eiser aannemelijk gemaakt. De mogelijkheid dat de uitkomst van de schatting van de alsnog verschuldigde premies hoger is uitgevallen dan het geval zou zijn geweest indien eiser zijn verplichting tot het voeren van een volledige loonadministratie zou zijn nagekomen, komt naar eveneens vaste rechtspraak, voor eisers rekening en risico.”
5. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt in beroep in essentie herhaald. In aanvulling hierop heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte, na het bestreden besluit te hebben vernietigd vanwege schending van de hoorplicht, niet heeft terugverwezen naar het Uwv teneinde dit gebrek te herstellen.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. Niet in geschil is dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht het bestreden besluit heeft vernietigd vanwege het schenden van de hoorplicht. Wel had als geschonden wettelijk voorschrift (mede) artikel 18 vanPro de CSV moeten worden vermeld.
6.2. De grond dat de rechtbank hierop had moeten terugverwijzen naar het Uwv om alsnog gehoord te worden, faalt. Gesteld noch gebleken is dat appellant zijn standpunt in beroep onvoldoende naar voren heeft kunnen brengen dan wel op enigerlei andere wijze is benadeeld doordat hij niet is gehoord in de bezwaarprocedure. Gelet hierop en uit een oogpunt van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank terecht beoordeeld of, gelet op wat appellant in beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand konden blijven. Het verzoek om de zaak alsnog terug te verwijzen naar het Uwv teneinde appellant alsnog te horen, wordt dan ook niet ingewilligd.
6.3. De rechtbank heeft vervolgens terecht geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.2, die tot dit oordeel hebben geleid en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep heeft appellant bevestigd dat zijn loonadministratie niet op orde was. Dat zijn boekhouder de (financiële) gegevens niet goed heeft verwerkt, en dat appellant hier pas later achter kwam, komt voor zijn rekening en risico. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn stelling, dat de schatting niet redelijk is omdat ten onrechte is uitgegaan van de uren die hij aan zijn klanten heeft geoffreerd in plaats van de uren die hij aan hen heeft gefactureerd, niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk kunnen maken. Dit wordt onderstreept door het feit dat appellant, zoals hij in hoger beroep heeft ter zitting heeft erkend, geen compleet overzicht heeft van deze facturen.
6.4. Uit het onder 6.1 tot en met 6.3 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.