ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij werd vastgesteld dat hij voor ten minste 80% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, met name cognitieve stoornissen en slaapstoornissen, waren onderschat en dat een urenbeperking geïndiceerd was. Hij bracht een rapport van een medisch adviseur in, die stelde dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar cognitieve stoornissen en dat een urenbeperking mogelijk noodzakelijk was.
De Raad overwoog dat de verzekeringsartsen wel degelijk aandacht hadden besteed aan deze aspecten en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn beperkingen waren onderschat. Ook de motivatie van de verzekeringsartsen om geen urenbeperking op te nemen was uitgebreid en onderbouwd. De Raad bevestigde dat appellant geschikt was voor de geduide functies en dat de belasting van deze functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt.
Op basis van deze overwegingen bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en de beperkingen van appellant niet zijn onderschat.