ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-6078 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op beëindigings- en terugvorderingsbesluiten WAO-uitkering

Appellante was sinds 1995 administratief medewerkster bij een bedrijf waarvan haar ex-echtgenoot eigenaar was. Zij meldde zich ziek vanwege een macroadenoom en ontving vanaf 1996 een WAO-uitkering. Na een fraudeonderzoek stelde het UWV vast dat er geen dienstbetrekking was en beëindigde de uitkering in 2007, met terugvordering van onverschuldigde betalingen.

Appellante verzocht het UWV terug te komen op deze besluiten, maar dit werd geweigerd. Zowel de rechtbank Rotterdam als de Centrale Raad van Beroep verklaarden het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren, waaronder een medisch schrijven, verklaringen van een ex-werkneemster en een strafzaak die twijfels zou doen rijzen over de arbeidsovereenkomst.

De Raad oordeelde dat het medisch schrijven geen nieuw feit was, de verklaring van de ex-werkneemster te vaag was en de strafzaak nog geen relevante uitkomst had. Ook het beroep op een eerdere uitspraak van de Raad faalde omdat appellante nooit aanspraak had op een WAO-uitkering. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de beëindigings- en terugvorderingsbesluiten van de WAO-uitkering.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/6078 WAO (gerectificeerde uitspraak)
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
15 september 2011, 11/880 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats]appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Voor het Uwv is verschenen T. van der Weert.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was per 1 maart 1995 werkzaam als administratief medewerkster bij [naam B.V.] ([B.V.]). Haar ex-echtgenoot, [naam ex-echtgenoot] was eigenaar van het bedrijf. Appellante heeft zich per 10 juli 1995 ziekgemeld wegens een macroadenoom van de hypofyse. Zij heeft per 8 juli 1996 een volledig uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Naar aanleiding van de uitkomsten van een fraudeonderzoek is het Uwv gebleken dat appellante niet persoonlijke arbeid heeft verricht bij [B.V.], dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking en dat zij niet verzekerd was voor de WAO.
1.2.1. Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering per 8 juli 1996 beëindigd. Dit besluit staat in rechte vast.
1.2.2. Bij brief van 11 juni 2010 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 7 augustus 2007.
1.2.3. Bij besluit van 5 oktober 2010 (primair besluit 2) heeft het Uwv dat geweigerd.
1.3.1. Bij besluit van 7 september 2007 heeft het Uwv een bedrag van € 103.129,69 teruggevorderd in verband met onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Dit besluit staat in rechte vast.
1.3.2. Bij schrijven van 2 april 2010 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 7 september 2007.
1.3.3. Bij besluit van 10 mei 2010 (primair besluit 1) heeft het Uwv dat geweigerd.
1.4.1. Tegen beide primaire besluiten is bezwaar gemaakt.
1.4.2. Bij besluit van 17 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de beide primaire besluiten ongegrond verklaard.
2.Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.Appellante heeft in hoger beroep haar stelling dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) herhaald. Als nieuwe feiten en omstandigheden moet het volgende worden aangemerkt.
1. Een schrijven van internist/endocrinoloog dr. J. [naam C.] van 26 april 2010. Hieruit blijkt dat pas na de indiensttreding bij [B.V.] is vastgesteld dat appellante een macroadenoom in haar hoofd had. Het is dus niet zo dat het dienstverband is aangegaan met als doel uiteindelijk een WAO-uitkering te krijgen.
2. De verklaring van een ex-werkneemster [naam A.] waarin zij aangeeft dat zij heeft horen zeggen dat enkele andere werknemers de eigenaar van [B.V.], [naam ex-echtgenoot] te pakken zouden nemen door het Uwv of de belastingdienst in te lichten.
3. Een strafzaak waaruit blijkt dat er aanknopingspunten zijn voor de stelling dat binnen/rondom het Uwv in 1995 twijfels waren of hadden moeten zijn over de rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst tussen Van het [naam ex-echtgenoot][B.V.] en appellante. Het proces-verbaal van het verhoor van[naam B.], toen werkzaam bij het Uwv, werpt veel vragen op onder meer ten aanzien van de geloofwaardigheid van de initiatiefnemer van de arbeidsovereenkomst, [naam ex-echtgenoot].
4.1.In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.
4.2.Het schrijven van [naam C.] is geen nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De inhoud van die brief was al eerder bekend. In het schrijven van 24 februari 2009 is al vastgesteld dat er bij appellante sprake was van een macroadenoom in haar hoofd en dat de diagnose waarschijnlijk in mei of juni 1995 is vastgesteld.
4.3.De verklaring van[naam A.]is op zichzelf een nieuw feit, maar levert inhoudelijk niet het door appellante gewenste resultaat op. De verklaring dat zij iets weet “van horen zeggen” is dermate vaag dat met deze verklaring geen rekening gehouden kan worden. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak hieromtrent.
4.4.De strafzaak levert evenmin een nieuw feit op als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Het is op dit moment nog allerminst zeker wat de uitkomst van deze strafzaak zal zijn en wat de relevantie van die uitkomst voor de thans onderhavige zaak zal zijn. Op dit moment staat enkel vast dat appellante door de rechtbank is veroordeeld en daartegen hoger beroep heeft ingsteld.
4.5.Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 21 juli 2011 (LJN BR3276) slaagt evenmin omdat appellante - achteraf gezien - nimmer aanspraak op een WAO-uitkering heeft gehad. Van een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend is in haar geval geen sprake.
5.Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) D. Heeremans
CVG