ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2810

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3486 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij naar eigen zeggen meer beperkingen heeft dan vastgesteld. Het UWV had bij besluit van 23 april 2010 de uitkering geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar op 6 september 2010.

De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische stukken van behandelaars zijn meegewogen. Ook het arbeidskundig onderzoek werd als juist beoordeeld. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en de beoordeling van de arbeidsdeskundige werden als passend en juist beschouwd.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald, maar zonder nieuwe medische stukken of argumenten te overleggen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en juist is geweest. Het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige ondersteunt dat de geduide functies geschikt zijn voor appellante ondanks enkele signaleringen van mogelijke overschrijding van belastbaarheid.

De Raad ziet geen reden om het eerdere oordeel te wijzigen en bevestigt de weigering van de WIA-uitkering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/3486 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011, 10/2629 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2013. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. J. Koning.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 23 april 2010 heeft het Uwv geweigerd appellante per 16 mei 2010 in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.
1.2. Bij besluit van 6 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 april 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat de rapportages van de verzekeringsarts van het Uwv zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De informatie van de fysiotherapeut en neuroloog waarbij appellante onder behandeling is, is meegewogen in de medische beoordeling. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De aan de schatting ten grondslag liggende functies zijn besproken door de bezwaararbeidsdeskundige en passend geacht. De rechtbank acht dit juist. Hieruit volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt zodat appellante terecht een WIA-uitkering is geweigerd.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt dat ze meer beperkingen heeft herhaald. Zij is van mening dat haar ten onrechte een WIA-uitkering is geweigerd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. Er heeft zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden en de in bezwaar ingebrachte medische stukken zijn bij de besluitvorming betrokken. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gronden naar voren gebracht. Evenmin zijn er medische stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat zij meer of anders beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.
4.3. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het arbeidskundig onderzoek juist is geweest. In hoger beroep heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, gedateerd 8 juli 2011, in geding gebracht. Hierin is nader uiteengezet waarom de geduide functies, ondanks enkele signaleringen die aangeven dat er mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid, geschikt zijn voor appellante. Deze toelichting is eveneens overtuigend.
5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) D. Heeremans
NW