ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schadevergoeding bij onrechtmatige intrekking bijstandsuitkering en vergoeding wettelijke rente
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB, die in 2006 werd ingetrokken vanwege het niet melden van het vermogen van zijn partner. Het college vorderde terugbetaling van de bijstand, maar herzag dit besluit in 2010 vanwege een voorliggende voorziening, waarna een deel van het bedrag werd gerestitueerd. Appellant vorderde daarnaast vergoeding van materiële schade wegens de onrechtmatige intrekking en vertraging.
Het college vergoedde de wettelijke rente over de vertraagde uitbetaling, maar wees verdere schadevergoeding af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij recht had op een hogere vergoeding omdat de vermogenstoets ten onrechte was toegepast.
De Raad oordeelde dat de vergoeding van wettelijke rente conform artikel 6:119 BW Pro de schade door vertraging volledig dekt en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij aanvullende schade had geleden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen; vergoeding wettelijke rente is toereikend en aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen.