ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijzondere bijstand voor aflossing schuldenlast zonder zeer dringende redenen
Appellante had een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in de vorm van een lening om haar huurschuld af te lossen. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage wees deze aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de Wet werk en bijstand (WWB), dat bijstand voor aflossing van schulden uitsluit wanneer de aanvrager over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij vanaf december 2010 een bijstandsuitkering ontving en dus beschikte over middelen bij het ontstaan van haar schuldenlast. Tevens werden geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49 van Pro de WWB vastgesteld die een uitzondering zouden rechtvaardigen.
Appellante voerde aan dat haar schulden mede waren ontstaan door onrechtmatige intrekking van haar bijstandsuitkering en dat haar hoge schuldenlast bij energieleverancier Essent en een andere schuldeiser een zeer dringende reden vormde. De Raad volgde dit niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat schuldenlast in beginsel geen zeer dringende reden oplevert en dat verwijtbaarheid bij het ontstaan van schulden niet tot bijzondere bijstand leidt.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op bijzondere bijstand voor aflossing van haar schuldenlast; het hoger beroep wordt afgewezen.