ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3511

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-5898 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, vierde lid, aanhef en onder b, WWB
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenote

Appellant diende op 6 april 2010 een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Schiedam stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling wegens het niet verstrekken van benodigde informatie. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond, herzag het eerdere besluit en wees de aanvraag alsnog af omdat appellant geen zelfstandig subject van bijstand is, aangezien hij zijn hoofdverblijf heeft bij zijn ex-echtgenote met wie hij vijf kinderen heeft.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van een normaal gezinsleven omdat al zijn kinderen tot hun achttiende jaar uit huis waren geplaatst. De Raad oordeelde dat het rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB letterlijk moet worden opgevat, waarbij de leeftijd van de kinderen en hun verzorgingsplaats niet relevant zijn.

De Raad volgde hiermee het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 (LJN BH2580) en zag geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.

Uitspraak

11/5898 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
1 september 2011, 10/5270 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Datum uitspraak 26 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter zitting van 16 januari 2013 aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 6 april 2010 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet de benodigde informatie had verstrekt.
1.2. Bij besluit van 16 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2010 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en de aanvraag van appellant afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant geen zelfstandig subject van bijstand is omdat hij zijn hoofdverblijf heeft bij zijn ex-echtgenote met wie hij vijf kinderen heeft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, evenals in beroep, aangevoerd dat van een normaal gezinsleven geen sprake is geweest omdat al zijn kinderen tot hun achttiende jaar uit huis zijn geplaatst.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard op grond van, samengevat, de volgende overwegingen. Niet in geschil is dat appellant en zijn ex-echtgenote hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres en dat uit hun huwelijk vijf kinderen zijn geboren, waarvan de jongste nog minderjarig is. Hiermee is sprake van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB dat eiser en zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voeren. Om die reden kan appellant niet als zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd. De aanvraag om bijstand is terecht en op goede gronden afgewezen.
4.2. Appellant heeft in hoger beroep geen andere beroepsgronden aangevoerd dan in beroep. Geen aanleiding bestaat om het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit niet te volgen. Van belang daarbij is het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, LJN BH2580. Uit dat arrest blijkt onder meer dat het rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef onder b, van de WWB letterlijk opgevat moet worden en dat de leeftijd van het kind en de plaats van zijn eventuele verzorging op het moment van bijstandsverlening er niet toe doen.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2013.
(getekend) M. Hillen
(getekend) A.C. Oomkens
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
HD