ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenote
Appellant diende op 6 april 2010 een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Schiedam stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling wegens het niet verstrekken van benodigde informatie. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond, herzag het eerdere besluit en wees de aanvraag alsnog af omdat appellant geen zelfstandig subject van bijstand is, aangezien hij zijn hoofdverblijf heeft bij zijn ex-echtgenote met wie hij vijf kinderen heeft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van een normaal gezinsleven omdat al zijn kinderen tot hun achttiende jaar uit huis waren geplaatst. De Raad oordeelde dat het rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB letterlijk moet worden opgevat, waarbij de leeftijd van de kinderen en hun verzorgingsplaats niet relevant zijn.
De Raad volgde hiermee het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 (LJN BH2580) en zag geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.