ECLI:NL:CRVB:2016:1007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstand op grond van gezamenlijk hoofdverblijf met ex-partner
Appellant heeft meerdere keren bijstand aangevraagd, welke zijn afgewezen omdat hij een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn ex-echtgenote. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat er sprake was van een gescheiden huishouding, ondanks het gezamenlijke hoofdverblijf, en dat het college naliet de feitelijke situatie te onderzoeken en belangen af te wegen.
De Raad oordeelde dat op grond van het overgangsrecht de WWB van toepassing is, omdat de aanvraag en beslissing vóór 1 januari 2015 plaatsvonden. Het college baseerde zich terecht op het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, vierde lid, onder b, WWB, omdat appellant en zijn ex-partner samenwoonden en een kind uit die relatie was geboren. De leeftijd van het kind en verzorgingsplicht zijn hierbij niet relevant.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat het rechtsvermoeden onterecht werd toegepast. Omdat het rechtsvermoeden geldt, was geen nader onderzoek vereist en kon geen belangenafweging plaatsvinden die zou leiden tot toekenning van bijstand. Appellant slaagde er niet in een relevante wijziging van omstandigheden aan te tonen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijstand op grond van gezamenlijke huishouding bevestigd.