ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens late aanvraag en onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, ontving vanaf 1992 een WAO-uitkering die in 1993 werd ingetrokken. Na ziekte en een Ziektewetuitkering die in 1997 eindigde, vroeg hij in 2010 opnieuw een WAO-uitkering aan vanwege vermeende toename van arbeidsongeschiktheid sinds eind 1997/begin 1998.
Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant sinds 1997 niet meer verzekerd was en de aanvraag te laat was ingediend. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen overtuigend bewijs was van toegenomen beperkingen of klachten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het nadeel van late aanvraag voor rekening van appellant komt en dat onvoldoende medische aanwijzingen voor toename van arbeidsongeschiktheid aanwezig waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij toegenomen klachten had sinds 1991 en 1995, ondersteund door medische stukken en een psychiater. De Raad oordeelde dat het nadeel van late aanvraag terecht voor rekening van appellant komt en dat de aangevoerde stukken onvoldoende bewijs boden voor toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking van de eerdere uitkering.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees de vordering af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens late aanvraag en onvoldoende bewijs van toegenomen arbeidsongeschiktheid.