Eiser, woonachtig in China, diende op 20 februari 2024 een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering met het verzoek om erkenning van arbeidsongeschiktheid vanaf 1998. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet kon aantonen dat hij in 1998 verzekerd was, mede doordat essentiële gegevens vanwege het tijdsverloop niet meer beschikbaar waren.
Eiser maakte bezwaar en overhandigde enkele documenten, waaronder een onvolledig werkbriefje uit 1999, een brief over een werkloosheidswetuitkering zonder details en een medisch certificaat uit 2016 in het Chinees. Deze stukken boden echter onvoldoende bewijs voor de verzekeringsstatus, het loon en de medische situatie in 1998.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij eiser ligt en dat vanwege het lange tijdsverloop een zwaardere bewijslast geldt. Hoewel de rechtbank begrip toonde voor de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder zijn vertrek uit Nederland uit angst voor zijn veiligheid, kon dit geen uitzondering rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.