ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
EU-burger kan recht op bijstand hebben als verblijfsrecht niet is vastgesteld door IND
Appellante, een Poolse EU-burger, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) nadat haar relatie was verbroken en zij slechts een klein invaliditeitspensioen uit Polen had. Het college wees de aanvraag af omdat zij geen rechtmatig verblijf zou hebben volgens de WWB en de EU-richtlijn 2004/38/EG. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat economisch niet-actieven die langer dan drie maanden maar korter dan vijf jaar verblijven en een beroep doen op bijstand niet rechtmatig verblijven.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij rechtmatig verblijf hield op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en dat een beroep op bijstand niet automatisch leidt tot verlies van verblijfsrecht. De Raad overwoog dat het verblijfsrecht voortvloeit uit artikel 21 VWEU Pro zolang het onderzoek naar beperkingen en voorwaarden niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan. Het college had echter niet zelfstandig mogen vaststellen dat appellante geen verblijfsrecht meer had zonder overleg met de bevoegde bewindspersoon.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid en op een onjuiste grondslag berustte. Daarom werd het besluit vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het verblijfsrecht van appellante zorgvuldig moet worden onderzocht in overleg met de bevoegde autoriteiten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen na zorgvuldige beoordeling van het verblijfsrecht.