ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.F. Bandringa
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid verblijf en bijstandsrecht EU-burger onder de WWB
Betrokkene 1 vroeg een wijziging van de bijstandsnorm aan omdat hij sinds 2007 samenwoonde met betrokkene 2, een Duitse staatsburger. Het college wees de aanvraag af omdat betrokkene 2 niet als gelijkgesteld met een Nederlander werd beschouwd en geen rechthebbende was onder artikel 11 WWB Pro.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat betrokkene 2 als EU-burger rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 21 VWEU Pro en de Richtlijn 2004/38/EG, en dat het college niet bevoegd was om zonder overleg met de staatssecretaris het verblijfsrecht te beëindigen. Een beroep op bijstand leidt niet automatisch tot verlies van verblijfsrecht.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dat het college het besluit niet met de nodige zorgvuldigheid had voorbereid door het ontbreken van overleg met de staatssecretaris. Het college moet een nieuwe beslissing nemen na het noodzakelijke overleg. De aanvraag om bijstand mag niet leiden tot een eenzijdige beëindiging van het verblijfsrecht zonder expliciete beslissing van de bevoegde autoriteit.
De Raad benadrukt het beginsel van Unietrouw en het belang van samenwerking tussen autoriteiten binnen lidstaten bij de toepassing van het Unierecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van gronden, en appellant wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen na overleg met de bevoegde bewindspersoon.