ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen ontheffing van arbeidsverplichtingen op grond van WWB na medische herbeoordeling
Appellant ontvangt sinds 1994 bijstand en was sinds 2005 gedeeltelijk en vanaf 2007 volledig vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen uit artikel 9, eerste lid, van de WWB op medische gronden. In november 2009 vond een nieuwe medische beoordeling plaats door een verzekeringsarts, die concludeerde dat volledige arbeidsongeschiktheid niet gerechtvaardigd was, wel met beperkingen rekening gehouden moest worden.
Het college besloot daarom per 17 november 2009 de ontheffing van de arbeidsverplichtingen in te trekken, met inachtneming van de beperkingen uit het medisch advies. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch advies onvoldoende rekening hield met zijn psychische klachten en dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel handelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het college terecht is uitgegaan van het medisch advies, dat zorgvuldig tot stand is gekomen en de problematiek van appellant voldoende weerspiegelt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat ontheffing tijdelijk is en bij nieuwe beoordeling kan worden herzien.
De Raad ziet geen dringende redenen om appellant opnieuw te ontheffen van de verplichtingen en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen ontheffing krijgt van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, WWB.