ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4084

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-4293 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 AwbArt. 4:5 AwbArt. 1:3 AwbArt. 43 WWBArt. 44 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping besluit niet in behandeling nemen aanvraag bijstand wegens ontbreken schriftelijke aanvraag

Appellant meldde zich op 28 oktober 2011 bij het UWV Werkbedrijf om bijstand aan te vragen. De gemeente Utrecht nodigde hem uit voor een gesprek op 7 november 2011, later gewijzigd naar 8 november 2011, met de waarschuwing dat bij niet verschijnen zonder afmelding de aanvraag niet verder zou worden behandeld op grond van artikel 4:5 Awb Pro.

Op 8 november 2011 besloot het college de aanvraag niet in behandeling te nemen wegens het ontbreken van een schriftelijke aanvraag. Appellant stelde bezwaar in, maar de rechtbank verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat volgens haar de brief van 8 november 2011 niet op rechtsgevolg was gericht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders: hoewel appellant geen schriftelijke aanvraag heeft ingediend, is de brief van 8 november 2011 wel een besluit met rechtsgevolg conform artikel 4:5 Awb Pro. Het bezwaar had dus ontvankelijk moeten worden verklaard. De Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank en herroept het besluit van 8 november 2011. Tevens veroordeelt zij het college in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Beslissing van 8 november 2011 wordt herroepen en bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

12/4293 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2012, 12/590 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 12 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N.A. de Leon-van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2013. Voor appellant is verschenen mr. C. Lammers, kantoorgenoot van mr. de Leon-van den Berg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten of omstandigheden.
1.1. Appellant heeft zich op 28 oktober 2011 bij het Uwv Werkbedrijf gemeld om bijstand aan te vragen. Bij brief van 31 oktober 2011 heeft de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht (DMO) appellant uitgenodigd voor een gesprek op 7 november 2011 om 15.00 uur in verband met deze aanvraag en door hem in te leveren bewijsstukken. Op deze brief is handmatig de datum gewijzigd in 8 november 2011 en het tijdstip in 12.00 uur. Het formulier bevat voorts de waarschuwing dat het zonder afmelding niet op deze afspraak verschijnen er toe kan leiden dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet verder wordt behandeld.
1.2. Bij brief van 8 november 2011 heeft het college appellant meegedeeld dat besloten is de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Awb niet in behandeling te nemen.
1.3. Bij besluit van 10 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2011 gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen de brief van 8 november 2011 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft aan haar oordeel het volgende ten grondslag gelegd. Nu appellant geen schriftelijke aanvraag heeft ingediend, kan de mededeling in de brief van 8 november 2011 dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 1:3 van Pro de Awb. Deze mededeling heeft slechts een informatief karakter en is niet op rechtsgevolg gericht. Het bezwaar tegen deze brief had daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, samengevat, aangevoerd dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij wel een aanvraag heeft ingediend. Het college heeft zijn aanvraag ten onrechte niet in behandeling genomen en hem geen redelijke termijn gegeven om de aanvraag te completeren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 4:1 van Pro de Awb bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
4.2. Artikel 43, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt dat het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststelt.
4.3. Artikel 44 van Pro de WWB luidde ten tijde hier van belang als volgt:
“1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of vierde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede of derde lid.
3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.”
4.4. De stelling van appellant dat het college hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn aanvraag aan te vullen treft geen doel. Uit artikel 43, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 4:1 van Pro de Awb volgt immers dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan. Uit artikel 44 van Pro de WWB volgt voorts dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn. Uit artikel 44, tweede lid, van de WWB vloeit voort dat de belanghebbende in staat moet worden gesteld een aanvraag in te dienen. Aan die verplichting is in beginsel voldaan met het verstrekken van het daarvoor bestemde aanvraagformulier.
4.5. Vaststaat dat appellant in de periode na de melding op 28 oktober 2011 tot en met de beslissing op 8 november 2011 geen aanvraag heeft ingediend. Hij heeft de aan hem op 28 oktober 2011 verstrekte formulieren niet ingevuld en ingeleverd en heeft ook anderszins geen aanvraag ingediend. De beschikbare gegevens bieden overigens geen steun voor het standpunt van appellant dat hij op 7 november 2011 tijdig op de afspraak is verschenen maar dat de medewerker van de DMO geen tijd had om hem te spreken en dat hij ten tijde van het aanpassen van de afspraak naar 8 november 2011 direct heeft aangegeven dat hij dan niet in de gelegenheid was te verschijnen.
4.6. Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant geen aanvraag heeft ingediend. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, brengt dit niet met zich dat de brief van 8 november 2011 niet op rechtsgevolg is gericht. Duidelijk is immers dat het college met die brief met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Awb een beslissing heeft genomen. Tegen die beslissing stond bezwaar open. De rechtbank heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (vergelijk de uitspraak van de Raad van 21 december 2012, LJN BY7663). Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, bij gebreke van een aanvraag om bijstand, het besluit van 8 november 2011 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van dat besluit.
5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2011 niet-ontvankelijk is verklaard;
- herroept het besluit van 8 november 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 10 januari 2012;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2013.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) J. de Jong