ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade door overschrijding redelijke termijn in WIA-procedure verdeeld tussen UWV en Staat
In deze zaak stond de overschrijding van de redelijke termijn in een WIA-uitkeringsprocedure centraal. De rechtbank Rotterdam had eerder vastgesteld dat de procedure vier jaar en ruim acht maanden duurde, wat een overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro inhoudt. De rechtbank had het UWV veroordeeld tot een schadevergoeding van €3.000 aan betrokkene.
Het UWV stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat slechts een deel van de overschrijding voor haar rekening kwam en bood aan €1.000 te vergoeden. De Staat nam de verantwoordelijkheid voor een deel van de vertraging op zich en bood €2.000 aan. De Centrale Raad van Beroep heropende het onderzoek en betrok de Staat als partij.
De Raad concludeerde dat de totale overschrijding van ruim twee jaar en acht maanden onbetwist was en dat de schadevergoeding terecht was vastgesteld op €3.000. De Raad verdeelde de vergoeding conform de voorstellen van het UWV en de Staat, waarbij het UWV €1.000 en de Staat €2.000 betaalt. Betrokkene had verzocht dat het UWV het volledige bedrag zou betalen, maar dit werd niet gehonoreerd vanwege vaste rechtspraak.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.C. Bruning en griffier K.E. Haan op 8 maart 2013.
Uitkomst: Schadevergoeding van €3.000 wegens overschrijding redelijke termijn wordt verdeeld: €1.000 door UWV en €2.000 door Staat betaald.