ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4842

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-5170 ZW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, vijfde lid, AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van verzet wegens termijnoverschrijding bij hoger beroep sociale zekerheidsrecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep behandeld. Het hoger beroep was ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage op het gebied van het socialezekerheidsrecht.

Appellante had het hogerberoepschrift ingediend zonder de vereiste gronden van het hoger beroep. Na een aangetekende aanmaning om binnen vier weken alsnog de gronden in te dienen, werd deze termijn overschreden. De gronden werden pas na afloop van de gestelde termijn ontvangen, met een poststempel van een dag na het verstrijken van de termijn.

Hoewel appellante betoogde dat de gronden tijdig persoonlijk door haar partner in de brievenbus waren gedeponeerd, oordeelde de Raad dat dit niet aannemelijk was gemaakt. Volgens vaste rechtspraak ligt het bewijsrisico van niet-aangetekende verzending bij de afzender. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige indiening van de gronden van het hoger beroep.

Uitspraak

12/5170 ZW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 augustus 2012, 11/8636 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 20 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 2 januari 2013 heeft de Raad het namens appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 2 januari 2013 is namens appellante verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 5 maart 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar partner [naam partner]. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Het namens appellante ingediende hogerberoepschrift bevat niet de gronden van het hoger beroep.
Bij aangetekend verzonden brief van 29 oktober 2012 is appellante - nogmaals - in de gelegenheid gesteld de gronden van het hoger beroep in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellante heeft binnen de in de brief van 29 oktober 2012 gestelde termijn, die eindigde op 26 november 2012, geen gronden van het hoger beroep ingediend. Eerst op 4 december 2012, en daarmee na het einde van de termijn, zijn deze bij de Raad ontvangen. Blijkens het poststempel op de enveloppe is de brief op 3 december 2012 ter post bezorgd.
Ter zitting is opnieuw betoogd dat de brief met de gronden van het hoger beroep door de partner van appellante voor het verstrijken van de termijn - persoonlijk - in de brievenbus is gedeponeerd.
De Raad oordeelt dat ook in verzet niet aannemelijk is gemaakt dat de gronden van het hoger beroep voor het einde van de termijn ter post zijn bezorgd. Het (bewijs)risico van niet-aangetekende verzending van een poststuk ligt volgens vaste rechtspraak bij de afzender.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2013.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
GdJ