ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4993

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1896 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WAO-uitkering na overname kledingzaak

Appellante ontvangt sinds 2000 een WAO-uitkering en heeft vanaf 2004 een kledingzaak overgenomen. Het UWV herberekende haar uitkering op grond van artikel 44 WAO Pro vanwege inkomsten uit zelfstandige arbeid over 2004-2006 en vorderde €20.110,67 terug wegens te veel ontvangen uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij wist dat haar uitkering afhankelijk was van haar winst uit de onderneming en dat het UWV de restverdiencapaciteit correct had vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met kosten van de overname en dat het UWV te laat was met herberekening en terugvordering.

De Raad overwoog dat de aangevoerde gronden geen nieuwe inzichten boden en dat de kosten reeds waren meegenomen voor zover opgenomen in de verlies- en winstrekeningen. Ook was het UWV niet te laat, aangezien appellante pas in 2009 de jaarstukken aanleverde. De stelling dat appellante niet kon terugbetalen werd niet aannemelijk gemaakt; zij had het bedrag inmiddels volledig voldaan.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/1896 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 februari 2011, 09/1770 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 15 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante is tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontvangt vanaf 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf maart 2001 heeft zij als verkoopster gewerkt in een kledingzaak. Met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO is haar uitkering uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Met ingang van 1 januari 2004 heeft zij een kledingzaak overgenomen.
1.2. Bij (bestreden) besluit van 11 september 2009 heeft het Uwv - onder verwijzing naar besluiten van 1 september 2009 - de uitkering van appellante met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO herberekend in verband met het door appellante genoten inkomen uit arbeid als zelfstandige over de jaren 2004 tot en met 2006. Tevens heeft het Uwv een bedrag van
€ 20.110,67 teruggevorderd omdat appellante teveel WAO-uitkering heeft ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante wist dat haar recht op uitkering afhankelijk was van de omvang van de winst uit haar onderneming. Het Uwv heeft de restverdiencapaciteit van appellante op de juiste wijze berekend en vastgesteld en is verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de overname van de kledingzaak. Het Uwv heeft te lang gewacht met de herberekening en terugvordering. Noch psychisch noch financieel is zij in staat het bedrag terug te betalen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en gemotiveerd overwogen waarom zij niet slagen. De Raad voegt daaraan toe dat ook uit het in hoger beroep overgelegde besluit van 31 mei 2002 voor appellante al duidelijk moet zijn geweest dat inkomsten uit arbeid invloed hebben op de hoogte van haar WAO-uitkering. Met de kosten in verband met de overname van de kledingzaak is rekening gehouden, voor zover deze kosten in de verlies- en winstrekeningen zijn opgenomen. Dit blijkt ook uit het feit dat de uitkering van appellante over 2004 volledig is uitbetaald. De stelling van appellante dat het Uwv te lang gewacht heeft met de herberekening en terugvordering slaagt niet, reeds omdat zij zelf pas in 2009 de jaarstukken van de kledingzaak aan het Uwv heeft verstrekt. Dat appellante niet in staat is het bedrag terug te betalen is niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is gebleken dat appellante inmiddels het hele bedrag heeft terugbetaald.
5.1. Het hoger beroep slaagt niet.
5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en K. Wentholt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I.J. Penning
JvC