11/3515 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 mei 2011, 09/5515 (aangevallen uitspraak)
de Minister van Defensie, voorheen de Staatssecretaris van Defensie (minister)
Datum uitspraak: 21 maart 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 11/3964 MAW en 11/3965 MAW, plaatsgevonden op 7 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Arts. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot en R. Takkenberg. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. Het geding bij de rechtbank, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatsecretaris van Defensie.
2.1. Appellant is na de reorganisatie van de directie Materieel van de Koninklijke Landmacht met ingang van 9 november 1998 de functie toegewezen van junior medewerker techniek en documentatie bij deze directie. Aan deze functie is de rang van adjudant-onderofficier verbonden.
2.2. Bij rekest van 9 januari 2003 heeft appellant verzocht zijn functie te waarderen met de rang van eerste luitenant en hem met terugwerkende kracht tot 9 november 1998 te bevorderen. Bij besluit van 11 maart 2003 is bepaald dat de functie vastgesteld blijft op het rangsniveau van adjudant-onderofficier. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister ongegrond verklaard bij zijn besluit van 11 augustus 2003.
2.3. Bij zijn uitspraak van 21 juni 2007, LJN BA9030, heeft de Raad het besluit van 11 augustus 2003 vernietigd en het besluit van 11 maart 2003 herroepen. Daartoe heeft de Raad onder meer het volgende overwogen.
“De Raad stelt vast dat de staatssecretaris het in 2002 genomen besluit tot waardering van de functie van - onder meer - appellant met de daarbij behorende puntenwaardering op de onderscheidene gezichtspunten niet aan appellant heeft bekend gemaakt. Dientengevolge is appellant niet de mogelijkheid gegeven om tegen de uitkomsten van die waardering als zodanig bezwaar te maken.
De beslissing over de rangstoekenning dient plaats te vinden op basis van de bij de functiewaardering behaalde totaalscore. Nu appellant ten onrechte niet de gelegenheid was gegeven zich uit te laten over de totaalscore en de waardering op de afzonderlijke gezichtspunten die tot deze score hebben geleid, is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris appellant eerst alsnog deze gelegenheid dient te bieden. (…) Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 28 september 2006, 05/3492 MAW en 05/3497 MAW, ten aanzien van appellants collega’s L en M, zal de staatssecretaris ook ten aanzien van appellant een nieuw besluit dienen te nemen waarbij zowel gemotiveerd wordt beslist over de waardering van de functie als zodanig, als wordt beslist op het verzoek van appellant om aan de functie de rang van luitenant te verbinden. Daarbij zal de staatssecretaris appellant in de gelegenheid dienen te stellen desgewenst tegen beide onderdelen van dat besluit bezwaar te maken.”
2.4. De minister heeft vervolgens de eerdere functiewaardering opnieuw onderzocht op grond van de door appellant ingebrachte bedenkingen tegen deze waardering op vier van de veertien te waarderen kenmerken van de functie. Hierna heeft de minister zich bij besluit van 10 december 2007 op het standpunt gesteld dat de bij de eerdere waardering toegekende functiescore van totaal 38 punten correct is. Voorts heeft de minister bij dit besluit besloten appellant niet voor te dragen voor bevordering naar de rang van eerste luitenant. Bij het thans bestreden besluit van 15 juli 2009 heeft de minister de bezwaren van appellant tegen het besluit van 10 december 2007 op beide onderdelen ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellant heeft in hoger beroep onder andere aangevoerd dat het enige formele verschil tussen zijn (junior-)functie en de hoger gewaardeerde functie van medewerker techniek en documentatie is dat bij de laatste functie ook verantwoordelijkheid bestaat voor materieel waarbij complexe techniek aan de orde is terwijl dit bij zijn functie niet het geval is. Dit verschil is echter in de praktijk niet te handhaven. Ook appellant wordt daarom ingezet bij materieel met een complexe techniek. Dit blijkt ook uit het zogeheten tijdelijk aanhangsel bij zijn functiebeschrijving. Verder meent hij dat zijn uit dit aanhangsel blijkende werkzaamheden voor VOPS (vredes ondersteunende operaties) als projectmanager gevolgen moet hebben voor de kenmerken 13 (aard van de contacten) en 14 (doel van de contacten) van de functiewaardering. De minister heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid overwogen dat de toetsing van een functiewaardering volgens vaste rechtspraak van de Raad terughoudend moet zijn. Het besluit tot (handhaving van de) functiewaardering kan alleen voor vernietiging in aanmerking komen als deze waardering onhoudbaar is.
5.1.2. Uitgangspunt voor de functiewaardering zijn in dit geval de functiebeschrijving en het daarbij behorende tijdelijk aanhangsel, die hier beide als een gegeven moeten worden beschouwd. De functie van junior medewerker techniek en documentatie, waarom het hier gaat, moet worden onderscheiden van de functie medewerker techniek en documentatie. Beide functies kennen immers afzonderlijke beschrijvingen. Weliswaar betekent het op appellant van toepassing zijnde tijdelijk aanhangsel dat bedoeld verschil in zijn geval nuancering verdient, maar ook niet meer dan dat. Het verschil is niet opgeheven. De vermelding in het aanhangsel dat appellant ook op niet-technisch en technisch complex materieel werd ingezet maakt dit niet anders, reeds omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat die inzet zo structureel en substantieel was dat gelijkstelling met voornoemde functie van medewerker op zijn plaats zou zijn. Ook verklaringen van voormalig leidinggevenden van appellant bieden hiervoor onvoldoende grond. Van de VOPS werkzaamheden als projectmanager is evenmin gebleken dat deze van structurele aard waren. Daarbij wordt aangetekend dat appellant deze werkzaamheden volgens het uit 2001 daterende aanhangsel deed omdat deze niet door de KCM werden gedaan; over de situatie in latere jaren bestaat onvoldoende duidelijkheid.
5.1.3. Voordat de minister zijn primaire besluit van 10 december 2007 heeft genomen, heeft hij een onderzoek laten instellen door een deskundige op het gebied van functiewaardering die ter zake een rapport heeft uitgebracht waarin uitgebreid is ingegaan op de kenmerken waarop volgens appellant bij de functiewaardering een te lage score is gegeven. In de bezwaarprocedure heeft dezelfde deskundige de minister van zijn schriftelijke commentaar voorzien. Het bestreden besluit is vervolgens uitvoerig gemotiveerd. Appellant heeft (ook) in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die grond kunnen geven voor het oordeel dat de functiewaardering onhoudbaar is.
5.2.1. In geschil is verder of de minister in redelijkheid de functie van appellant in de rang van adjudant-onderofficier heeft kunnen handhaven in plaats van hem te bevorderen tot eerste luitenant.
5.2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister het beleid hanteert dat, wanneer - zoals in dit geval - het totaal aantal punten van een functiewaardering (ruim) boven het midpoint (rekenkundig gemiddelde) valt, in beginsel de hoogste van de twee rangen wordt toegekend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijken van dat beginsel rechtvaardigen. Dit beleid wordt ook teruggevonden in het gestelde in punt 3, aanhef en onder b, van de richtlijn voor rangstoekenning en indeling van organieke functies van 5 april 2001 waarin is aangegeven dat de bevoegde autoriteit gehouden is de hoogste van de twee rangen aan de functie toe te kennen, indien de rangindicatie twee rangen vermeldt en de niveauscore boven het rekenkundig midden van de overlap in de rangbracket valt. Op grond van punt 3, aanhef en onder d, van die richtlijn is afwijken van die stelregel slechts mogelijk in bijzondere gevallen. Van een bijzonder geval is volgens de richtlijn - voor zover hier van belang - sprake indien een doeltreffende en doelmatige organisatiestructuur en/of de bestaande hiërarchieke verhoudingen het wenselijk maken dat een andere rang wordt vastgesteld, of het gesloten personeelssysteem en de hiermee gepaard gaande voorwaarden voor het personeelsbeleid het wenselijk maken dat voor een functie of een groep van functies een andere rang wordt vastgesteld.
5.2.3. Blijkens de gedingstukken heeft de minister zijn beslissing gegrond op het belang dat de defensieorganisatie heeft bij een zekere evenwichtige opbouw van het personeelsbestand in de verschillende rangen (piramidale opbouw). De minister voert in dit verband een zogenoemd uitloopbeleid dat erop is gericht het aantal uitloopfuncties terug te brengen. Het aantal uitloopofficieren was in eerdere jaren veel te groot geworden. Niet valt in te zien dat dit beleid appellant niet kan worden tegengeworpen. Hiertoe wordt verwezen naar overweging 3.13 van de aangevallen uitspraak.
5.2.4. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De door appellant genoemde collega’s die wel tot luitenant zijn bevorderd werkten in een functie met een andere inhoud dan die van appellant, bij een andere productgroep onder kennelijk andere omstandigheden.
5.2.5. Aanwezigheid van (andere) bijzondere omstandigheden die noopten tot afwijking van het uitloopbeleid is evenmin aannemelijk gemaakt.
5.2.6. Het bestreden besluit kan dus ook op dit onderdeel de rechterlijke toets doorstaan.
6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2013.
(getekend) M.R. Schuurman