ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-6643 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing beroep tegen terugvordering reisvoorziening wegens overschrijding bijverdiengrens Wajong-uitkering

Appellante ontving in 2007 een Wajong-uitkering en overschreed daarmee de bijverdiengrens van €10.630,74 met een inkomen van €11.891,83. Hierdoor stelde de Minister een vordering vast voor de reisvoorziening wegens meerinkomen. Appellante maakte bezwaar en beriep zich op de hardheidsclausule, stellende dat zij haar Wajong-uitkering niet kon beëindigen vanwege studiefinanciering.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante de mogelijkheid had om haar studiefinanciering met terugwerkende kracht stop te zetten vóór 1 juli 2008, maar hiervan geen gebruik maakte. In hoger beroep herhaalde appellante dat het UWV geen reden zag om haar Wajong-uitkering te beëindigen vanwege studiefinanciering.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen gebruik maakte van de mogelijkheid tot stopzetting van studiefinanciering. De overschrijding van de bijverdiengrens staat vast en de rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van de reisvoorziening blijft gehandhaafd.

Uitspraak

11/6643 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2011, 10/2376 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 22 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2013. Namens appellante is verschenen mr. Boomstra. De Minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. Aan appellante is studiefinanciering toegekend. Na een controle van de neveninkomsten van appellante aan de hand van de door de Minister bij de Belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens, heeft de Minister bij besluit van 24 juni 2010 over het studiefinancieringstijdvak 2007 ten laste van appellante een vordering reisvoorziening vastgesteld van in totaal € 639,76, omdat de bijdragevrije voet met € 1.261,09 is overschreden. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en in haar bezwaarschrift een beroep gedaan op de hardheidsclausule, omdat zij haar bijverdiensten, een Wajong-uitkering, in 2007 niet heeft kunnen staken. Bij besluit van 2 september 2010 (bestreden besluit) heeft
de Minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en gemotiveerd waarom geen aanleiding wordt gezien voor toepassing van de in artikel 11.5 van
de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) opgenomen hardheidsclausule.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de Minister in redelijkheid kunnen besluiten om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule omdat appellante de mogelijkheid had om (tijdelijk) af te zien van haar recht op studiefinanciering.
3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij geprobeerd heeft haar Wajong-uitkering te beëindigen, maar dat het Uwv heeft aangegeven dat het ontvangen van studiefinanciering geen geldige reden is om tot beëindiging van de Wajong-uitkering over te gaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Niet in geschil is dat appellante in 2007 een inkomen van € 11.891,83 heeft verworven, bestaande uit een Wajong-uitkering. Met dit inkomen heeft appellante de bijverdiengrens in 2007, die vastgesteld is op € 10.630,74, overschreden. Studerenden hebben meerdere mogelijkheden om te voorkomen dat zij worden geconfronteerd met een vordering wegens meerinkomen en/of reisvoorziening. Een eerste mogelijkheid is te zorgen dat niet meer inkomen wordt verworven dan die bijdragevrije voet en een tweede mogelijkheid is tijdig het recht op studiefinanciering beëindigen. Zoals in het bestreden besluit staat vermeld had appellante tot 1 juli 2008 de tijd om een verzoek in te dienen om met terugwerkende kracht haar studiefinanciering stop te zetten. Appellante heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Ook in hoger beroep is niet duidelijk kunnen worden waarom appellante van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Zij heeft slechts het voortdurend ingenomen standpunt herhaald dat zij haar Wajong-uitkering niet kon beëindigen.
4.2. Onder deze omstandigheden kan slechts worden geoordeeld dat de rechtbank terecht het beroep van appellante ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) I.J. Penning
QH