ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud
Appellant ontving tot 1 mei 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een maatregel van 100% over maart en april 2011, diende appellant op 22 juli 2011 een nieuwe aanvraag in, die buiten behandeling werd gesteld omdat hij niet aantoonde hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag vanaf 1 maart 2011.
Op 7 oktober 2011 werd een nieuwe aanvraag ingediend met een brief en drie handgeschreven verklaringen van familieleden waarin werd gesteld dat hij geld had geleend. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet met verifieerbare gegevens kon aantonen hoe hij in de periode tot 1 december 2011 in zijn levensonderhoud had voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verklaringen voldoende gespecificeerd waren en dat het college nadere informatie had kunnen opvragen. De Raad oordeelde echter dat de verklaringen te algemeen en onvoldoende concreet waren, waardoor appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijstand wordt bevestigd vanwege onvoldoende bewijs van levensonderhoud.