ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar na een onderzoek van de sociale recherche bleek dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Dit leidde tot een besluit van het college om de bijstand over een lange periode in te trekken en de kosten terug te vorderen, mede van appellant.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar verklaringen onder druk waren afgelegd en dat haar psychische gezondheidstoestand de betrouwbaarheid van haar verklaringen aantastte. De Raad oordeelde echter dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen en aangetroffen bezittingen, een toereikende feitelijke grondslag boden voor de conclusie van gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp het verweer dat de verklaringen onbetrouwbaar waren, mede omdat appellante de verklaringen had ondertekend en niet had ingetrokken. Ook de verklaring van de GGZ ondersteunde niet dat haar psychische toestand haar waarheidsgetrouwheid tijdens de verhoren had beïnvloed.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.