ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5708

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
10-6800 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 AOWArt. 2 Inkomensbesluit AOW 1996Art. 3 Inkomensbesluit AOW 1996Art. 4 Inkomensbesluit AOW 1996Art. 10 Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing partnertoeslag AOW wegens inkomen echtgenote

Appellant heeft een AOW-pensioen toegekend gekregen zonder recht op partnertoeslag vanwege het inkomen van zijn echtgenote. Hij verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om herziening, wat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

In hoger beroep betoogde appellant dat het inkomen van zijn echtgenote niet in aanmerking mocht worden genomen omdat zij haar werkzaamheden in België verrichtte en niet als werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) kon worden aangemerkt. De Svb stelde dat het inkomen terecht werd meegenomen, ongeacht het land van arbeid.

De Raad oordeelde dat het inkomen van de echtgenote onder het begrip opbrengst van arbeid valt volgens het Inkomensbesluit AOW 1996, ook als de werkzaamheden in het buitenland zijn verricht. Er was geen nieuw feit of veranderde omstandigheid die herziening rechtvaardigde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de belangenafweging van de Svb was zorgvuldig en evenwichtig.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om partnertoeslag omdat het inkomen van de echtgenote terecht in mindering is gebracht.

Uitspraak

10/6800 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 november 2010, 10/2210 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak 15 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012.
Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is bij besluit van 8 oktober 2008 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarbij is vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een partnertoeslag, omdat het inkomen van zijn echtgenote zodanig is dat de toeslag volledig wordt gekort. Op 10 september 2009 heeft appellant de Svb verzocht om terug te komen van het besluit van 8 oktober 2008. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 23 september 2009.
1.2. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 21 december 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besluit van 21 december 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld, wat betreft de periode voorafgaand aan 10 september 2009, dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wat betreft de periode vanaf 10 september 2009 is geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat de Svb door afwijzing van het verzoek de belangen van appellant onvoldoende zorgvuldig of evenwichtig heeft afgewogen. De rechtbank heeft overwogen dat al hetgeen uit dienstbetrekking is genoten in aanmerking dient te worden genomen.
3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van een nieuw feit. Het inkomen van de echtgenote dient niet in aanmerking te worden genomen omdat de werkzaamheden door de echtgenote in België zijn verricht.
3.2. De Svb heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voorts is de Svb van mening dat de inkomsten van de echtgenote terecht in mindering zijn gebracht op de partnertoeslag, omdat de werkzaamheden in dienstbetrekking zijn verricht en het niet uitmaakt in welk land deze zijn verricht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft - ten aanzien van de periode voorafgaand aan 10 september 2009 - terecht geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De door appellant aangevoerde argumenten kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Daaraan doet niet af de stelling van appellant - nog daargelaten de juistheid van deze stelling - dat de Svb deze argumenten in zijn besluitvorming niet heeft meegewogen. Appellant heeft geen gegevens overgelegd die als nieuw feit of als veranderde omstandigheid moeten worden aangemerkt.
4.2. Ten aanzien van de periode vanaf 10 september 2009 heeft appellant gesteld dat het inkomen van zijn echtgenote geen inkomen uit dienstbetrekking is in de zin van artikel 10 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Dit loon kan - zo is betoogd - alleen worden genoten door een werknemer in de zin van artikel 2 van Pro deze wet. Volgens appellant is zijn echtgenote echter geen werknemer in deze zin, nu zij haar werkzaamheden in België heeft verricht.
4.3.1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de AOW, zoals dit luidde ten tijde hier in geding, wordt - voor zover hier van belang - op de volledige bruto-toeslag in mindering gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven.
4.3.2. In artikel 2 van Pro het Inkomensbesluit AOW 1996 (Inkomensbesluit) is bepaald - voor zover hier van belang - dat voor de toepassing van artikel 10, tweede lid, van de AOW onder inkomen uit arbeid in het bedrijf- of beroepsleven wordt verstaan:
a. opbrengst van arbeid;
b. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.
4.3.3. In artikel 3, eerste lid, van het Inkomensbesluit is bepaald dat voor zover de arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt verricht, onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt verstaan het loon in de zin van die wet.
4.3.4. In artikel 4, eerste lid, van het Inkomensbesluit is bepaald dat voor zover de arbeid in dienstbetrekking, doch niet door een werknemer in de zin van de Wfsv wordt verricht, onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt verstaan de gelden en alle andere voordelen die als beloning voor die arbeid worden genoten.
4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten van de echtgenote niet zijn aan te merken als winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.
4.5. Gelet op de genoemde bepalingen heeft de Svb terecht het inkomen van de echtgenote in mindering gebracht op de partnertoeslag. Immers, voor het in aanmerking nemen van dit inkomen is niet het fiscale loonbegrip van artikel 10 van Pro de Wet LB 1964 bepalend, maar de vraag of sprake is van opbrengst van arbeid in de zin van artikel 2, onderdeel a, van het Inkomensbesluit. Hetgeen appellant heeft gesteld omtrent het al dan niet van toepassing zijn van het Nederlandse fiscale stelsel en de mogelijke belastingheffing door een vreemde mogendheid kan er niet aan afdoen dat de inkomsten terecht in aanmerking zijn genomen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet relevant is in welk land
(de werkzaamheden waaruit) de inkomsten zijn verworven (zijn verricht).
4.6. De stelling van appellant dat zijn echtgenote niet als werknemer in de zin van de Wfsv dient te worden aangemerkt, kan niet slagen. In het geval werkzaamheden in dienstbetrekking zijn verricht, doch niet door een werknemer in de zin van de Wfsv, dienen immers op grond van artikel 4 van Pro het Inkomensbesluit in aanmerking te worden genomen de gelden en alle andere voordelen die als beloning voor die arbeid worden genoten.
4.7. Niet gebleken is dat de inkomsten van de echtgenote niet binnen deze omschrijving van de in aanmerking te nemen verdiensten vallen. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de rechtbank - ten aanzien van de periode vanaf 10 september 2009 - terecht geconcludeerd dat niet kan worden aangenomen dat de Svb de belangen van appellant niet dan wel onvoldoende evenwichtig of onzorgvuldig heeft afgewogen.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2013.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) G.J. van Gendt
GdJ