ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande ouder. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo trok haar bijstand in per 1 augustus 2011, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner, met wie zij kinderen heeft.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze intrekking gegrond vanwege ondeugdelijke motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding uit artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, WWB terecht is toegepast.
Appellante voerde aan dat zij handelde op advies van de bewindvoerder van haar ex-partner en dat zij niet op de hoogte was van het verlies van recht op bijstand. De Raad oordeelt dat dit voor haar eigen risico komt en dat het college niet gebonden is aan dat advies. De Raad concludeert dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand en dat het hoger beroep faalt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.