ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning WIA-uitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant viel op 16 november 2004 uit voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker met psychische klachten. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek werd hij geschikt bevonden voor zijn werk, waarna het UWV zijn aanvraag voor een WIA-uitkering per 14 november 2006 afwees. In 2009 meldde appellant zich ziek met toegenomen klachten, maar het UWV weigerde alsnog een WIA-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de informatie van de psychiater niet wezenlijk afweek van eerdere bevindingen. In hoger beroep bestreed appellant deze overwegingen. De Raad onderzocht de toepasselijkheid van artikel 55, lid 1, onder b, van de Wet WIA, dat toekenning van een uitkering mogelijk maakt bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na afloop van de wachttijd.
De Raad stelde vast dat het UWV terecht de aanvraag afwees omdat er geen toename van beperkingen was. De parlementaire geschiedenis en wetsartikelen werden uitgebreid besproken, waarbij werd bevestigd dat de tekst van artikel 55 WIA Pro geen voorwaarde stelt dat de verzekerde aan het einde van de wachttijd ongeschikt was voor het eigen werk. De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per september 2009 niet was toegenomen en bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een WIA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.