ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering die in 2007 werd ingetrokken wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na een periode van ziekte en een Ziektewetuitkering diende zij in 2010 een aanvraag in voor een WIA-uitkering. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering per 15 juni 2010 en weigerde een WIA-uitkering omdat zij niet de vereiste 104 weken arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het UWV-besluit gegrond wegens onvoldoende motivering omtrent de passendheid van de geduide functie, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het UWV dit gebrek in hoger beroep had hersteld. In hoger beroep stelde appellante dat er geen passende functies voor haar beschikbaar waren en dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische grondslag van het besluit onbetwist was en dat de passendheid van de functie van receptioniste/telefoniste voldoende was gemotiveerd. Daarom was het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering en weigering van de WIA-uitkering terecht en op juiste gronden genomen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV-besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering en weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.