ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8769
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.J. van de Griend
- R. Kooper
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Herstel grondslag bepaling periodieke uitkering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
Appellant, geboren in 1940, had aanvankelijk een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) geweigerd gekregen omdat zijn psychische klachten niet tot verminderd verdienvermogen leidden. Na beëindiging van zijn vennootschap onder firma in 2009 als gevolg van zijn klachten, vroeg appellant in 2010 opnieuw een uitkering aan die werd toegekend met ingang van 1 februari 2010 op basis van het wettelijk minimum.
De Raad overweegt dat de ingangsdatum van de uitkering terecht is vastgesteld op 1 februari 2010, omdat de aanvraag pas toen is ingediend. Wel oordeelt de Raad dat appellant ten tijde van de verergering van zijn klachten nog aangewezen was op inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf, ondanks zijn leeftijd van ruim 65 jaar. Dit volgt uit medisch onderzoek en getuigenverklaringen dat de verergering een geleidelijk proces was dat al voor 2009 een aanzienlijk niveau had bereikt en dat de vennootschap is beëindigd vanwege zijn ziekte.
Daarom is de grondslag voor de uitkering onjuist vastgesteld op het wettelijk minimum (artikel 8, vijfde lid, Wuv) en had deze moeten worden vastgesteld op basis van het inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf (artikel 8, tweede lid, Wuv). De Raad draagt verweerder op dit gebrek binnen zes weken te herstellen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 mei 2013.
Uitkomst: Verweerder wordt opgedragen de grondslag voor de periodieke uitkering te herstellen conform artikel 8, tweede lid, van de Wuv.