ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakelingsonderzoek
Appellant ontvangt sinds 1998 bijstand en werd medisch onderzocht in november 2009. Op basis van dit onderzoek werd een aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek noodzakelijk geacht. Het college heeft appellant meerdere malen uitgenodigd voor dit onderzoek, maar appellant heeft telkens schriftelijk geweigerd mee te werken.
Het college heeft daarom bij besluiten van april en november 2010 de bijstand van appellant verlaagd met 10% respectievelijk voor een maand en twee maanden, wegens onvoldoende medewerking aan het onderzoek naar arbeidsinschakeling. De rechtbank heeft deze besluiten bevestigd, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat de besluiten bevoegd zijn genomen en dat de commissie voor bezwaarschriften bevoegd was om advies uit te brengen. Appellant heeft terecht geen medewerking verleend aan het arbeidsdeskundig onderzoek, wat een wettelijke verplichting is volgens artikel 9 WWB Pro. Zijn verweer dat het eerdere medische onderzoek onvoldoende was, wordt verworpen omdat dit onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd.
Ook het standpunt dat na het eerste besluit geen nieuwe uitnodiging is verzonden, faalt, omdat appellant wel degelijk is opgeroepen voor een nieuw onderzoek en ook hieraan niet heeft meegewerkt. De Raad concludeert dat het college terecht de bijstand heeft verlaagd en bevestigt de aangevallen uitspraken. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand wegens onvoldoende medewerking aan het arbeidsdeskundig onderzoek wordt bevestigd.