Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een voormalig dienstplichtig soldaat, liep in 1974 een knieblessure op tijdens militaire dienst en ontving sindsdien een militair invaliditeitspensioen (MIP). Na verergering van zijn knieklachten en plaatsing van een knieprothese op 14 mei 2008, verzocht hij om verhoging van zijn MIP.
De Minister van Defensie wees dit verzoek aanvankelijk af, waarna betrokkene bezwaar maakte. Na een herbeoordeling in juni 2009 werd de invaliditeit verhoogd tot 40%, met ingang van 16 december 2008. De rechtbank stelde echter dat de verhoging met terugwerkende kracht moest ingaan op 14 mei 2008, de datum van de protheseplaatsing, en vernietigde de besluiten van de Minister.
In hoger beroep betwistte de Minister de terugwerkende kracht en stelde dat de herbeoordeling een ambtshalve heronderzoek was, waardoor de verhoging niet eerder dan de datum van de uitnodiging tot herkeuring (16 december 2008) kon ingaan. De Raad oordeelde dat de herbeoordeling een voortgezet onderzoek op verzoek was, waardoor de terugwerkende kracht tot 14 mei 2008 terecht werd vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verhoging van het militair invaliditeitspensioen gaat met terugwerkende kracht in op 14 mei 2008; het hoger beroep wordt afgewezen.