ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9523

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-5989 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 47 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op IVA-uitkering bij niet-duurzaam volledige arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat hij recht had op een WGA-uitkering en niet op een IVA-uitkering, omdat hij meende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was en dat er een redelijke verwachting was op verbetering.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de medische prognose te optimistisch was en dat op grond van een verklaring van zijn orthopedisch chirurg geen verbetering te verwachten was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid betrekking had op de situatie op 8 februari 2010 en dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor een medische eindsituatie.

De bezwaarverzekeringsarts had terecht vastgesteld dat appellant in afwachting was van operaties die verbetering van mobiliteit en houding konden brengen, wat een redelijke verwachting op vermindering van arbeidsbeperkingen gaf. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering wegens het ontbreken van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/5989 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 september 2011, 11/841 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 april 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2013. Appellant is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
OVERWEGINGEN
1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 2 september 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 8 februari 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat hij meent dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Bij appellant is onder meer sprake van een ernstige verkorting van zijn rechterbeen.
1.2. Bij besluit van 2 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 2 september 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen na zorgvuldig onderzoek op kenbare wijze heeft vastgesteld. De rechtbank heeft zich tevens kunnen vinden in het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet als duurzaam kan worden aangemerkt.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij van mening is dat de (bezwaar)verzekeringsarts zijn situatie te optimistisch heeft ingeschat als het gaat om de prognose voor de toekomst. Onder verwijzing naar de verklaring van de behandelend orthopedisch chirurg is appellant van mening dat geen sprake is van een kans op verbetering en dat hem ten onrechte een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) is onthouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, dient in hoger beroep de vraag te worden beantwoord of de arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
4.2. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Indien de verzekerde bezwaar maakt tegen het oordeel dat hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zal de bezwaarverzekeringsarts zich hierover een oordeel moeten vormen. Dit brengt mee dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend met alle medische gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover betrekking hebbend op de datum in geding, beoordeelt of de inschatting dat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven.
4.3. Anders dan appellant meent, gaat het in deze zaak om een medische prognose geldend op 8 februari 2010 en niet om een prognose per een latere datum. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de onderzoeken van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts is gebleken dat nog geen sprake was van een medische eindsituatie en dat appellant geen stukken heeft overgelegd die op het tegendeel duiden.
4.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft met juistheid opgemerkt dat appellant op 8 februari 2010 in afwachting was van diverse operaties om door verlenging van het rechterbeen zijn mobiliteit en houding te verbeteren en afname van toegenomen klachten en beperkingen te bewerkstelligen. Alleen al op die grond was er een redelijk tot goede verwachting van functionele verbetering van mobiliteit, motoriek en houding en dus van een verwachting dat de beperkingen van de arbeidsmogelijkheden zouden afnemen. Uit de door appellant in geding gebrachte informatie van zijn behandelend orthopedisch chirurg van 15 november 2010 blijkt dat een functionele verbetering door middel van aanvullende orthopedische hulpmiddelen nog mogelijk is.
4.5. Uit het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) K.E. Haan