ECLI:NL:CRVB:2013:CA0075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.S. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht en anticumulatie Wajong-uitkering bij arbeidsinkomsten
Appellant, een Wajong-uitkeringsgerechtigde, werd geconfronteerd met een besluit van het UWV waarin met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007 zijn uitkering werd verlaagd vanwege inkomsten uit arbeid. Hij stelde dat deze terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV een consistente gedragslijn hanteert waarbij terugwerkende kracht wordt toegepast tenzij betrokkene redelijkerwijs niet kon weten dat inkomsten uit arbeid invloed zouden hebben op de uitkering. De rechtbank verwierp het beroep van appellant en stelde dat het UWV geen rechtens relevante toezeggingen had gedaan die het vertrouwen van appellant konden wekken dat geen verrekening zou plaatsvinden.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin de toepassing van artikel 50 van Pro de Wajong met terugwerkende kracht werd toegestaan. Het beroep van appellant dat het eigenlijk ging om terugvordering werd niet ontvankelijk verklaard, omdat dit niet ter beoordeling stond. De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit.
De uitspraak onderstreept dat het UWV binnen de kaders van de wet en de rechtspraak terugwerkende kortingen mag toepassen op Wajong-uitkeringen bij arbeidsinkomsten, mits een consistente gedragslijn wordt gevolgd en geen gerechtvaardigde verwachtingen worden gewekt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Wajong-uitkering met terugwerkende kracht mag verlagen wegens arbeidsinkomsten.