ECLI:NL:CRVB:2013:CA0075

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-3809 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht en anticumulatie Wajong-uitkering bij arbeidsinkomsten

Appellant, een Wajong-uitkeringsgerechtigde, werd geconfronteerd met een besluit van het UWV waarin met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007 zijn uitkering werd verlaagd vanwege inkomsten uit arbeid. Hij stelde dat deze terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV een consistente gedragslijn hanteert waarbij terugwerkende kracht wordt toegepast tenzij betrokkene redelijkerwijs niet kon weten dat inkomsten uit arbeid invloed zouden hebben op de uitkering. De rechtbank verwierp het beroep van appellant en stelde dat het UWV geen rechtens relevante toezeggingen had gedaan die het vertrouwen van appellant konden wekken dat geen verrekening zou plaatsvinden.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin de toepassing van artikel 50 van Pro de Wajong met terugwerkende kracht werd toegestaan. Het beroep van appellant dat het eigenlijk ging om terugvordering werd niet ontvankelijk verklaard, omdat dit niet ter beoordeling stond. De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit.

De uitspraak onderstreept dat het UWV binnen de kaders van de wet en de rechtspraak terugwerkende kortingen mag toepassen op Wajong-uitkeringen bij arbeidsinkomsten, mits een consistente gedragslijn wordt gevolgd en geen gerechtvaardigde verwachtingen worden gewekt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Wajong-uitkering met terugwerkende kracht mag verlagen wegens arbeidsinkomsten.

Uitspraak

11/3809 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
19 mei 2011, 10/1503 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 mei 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.E. Zalm, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep
ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2013. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.
1.2. Bij besluit van 7 december 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat met terugwerkende kracht, met ingang van 1 januari 2007, in verband met door appellant genoten inkomsten uit arbeid kortingen - per maand tot en met ingang van 1 oktober 2009 nader aangegeven - worden toegepast op zijn naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering op grond van de Wajong.
1.3. Bij besluit van 26 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 7 december 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de berekening van de anticumulatie niet in geding is, maar dat de bezwaren van appellant zijn gericht tegen de bij de korting toegepaste terugwerkende kracht.
2.2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat bewoordingen, doel en strekking van artikel 50 van Pro de Wajong in beginsel er niet aan in de weg staan dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast en dat in de regel bij toepassing van dit artikel ook sprake zal zijn van terugwerkende kracht.
2.3. Dit laat evenwel onverlet dat de toepassing van artikel 50 van Pro de Wajong onder omstandigheden in strijd kan zijn met het beginsel van rechtszekerheid of het vertrouwensbeginsel. In dit verband is van belang dat het Uwv een bestendige gedragslijn hanteert, waarbij centraal staat dat geen terugwerkende kracht wordt toegepast indien een betrokkene niet wist dan wel redelijkerwijs niet kon worden geacht te weten dat de genoten inkomsten uit arbeid van invloed konden zijn op de uitkering. Een dergelijke gedragslijn is, aldus de rechtbank, op één lijn te stellen met buitenwettelijk begunstigend beleid, welk beleid naar vaste rechtspraak van de Raad terughoudend wordt getoetst, aldus dat de aanwezigheid en de toepassing ervan als een gegeven worden aanvaard en slechts wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
2.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv een consistente toepassing gegeven aan zijn gedragslijn. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bij de toekenning van de Wajong-uitkering aan appellant bekend is gemaakt dat inkomsten uit arbeid verrekend zouden kunnen worden met zijn uitkering. Dat het Uwv in eerdere perioden voor
1 januari 2006 heeft afgezien van verrekening van de inkomsten van appellant, maakt niet dat hij niet redelijkerwijs kon worden geacht te weten dat zijn arbeidsinkomsten tot korting aanleiding zouden kunnen geven. In dit kader heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv destijds niet aan appellant heeft vermeld dat mogelijke bijverdiensten nimmer zouden worden verrekend met zijn uitkering. Anders dan appellant heeft gesteld, is geen sprake van ter zake door het Uwv gedane, rechtens relevante toezeggingen dan wel bij hem gewekte gerechtvaardigde verwachtingen.
2.5. Evenmin is de rechtbank gebleken dat het vertrouwensbeginsel zou meebrengen dat het Uwv niet tot de onderhavige verrekening had mogen besluiten, in welk verband de rechtbank overwoog dat de (Raad: door appellant benadrukte) omstandigheid dat het Uwv niet voortvarend heeft gereageerd op de door hem verstrekte informatie daarvoor onvoldoende is.
3. In hoger beroep heeft appellant voorop gesteld dat de onderhavige zaak in zijn optiek eigenlijk gaat over de vraag of het Uwv van hem had mogen terugvorderen. Voor het overige heeft hij in essentie de door hem in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Naar ook door de rechtbank is overwogen, ligt in deze procedure uitsluitend ter beoordeling voor een besluit waarbij arbeidsinkomsten van appellant zijn verrekend. Aan enig oordeel over terugvordering kan derhalve niet worden toegekomen.
4.3. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden de stelling van appellant verworpen dat het Uwv met de bij de onderhavige korting toegepaste terugwerkende kracht in strijd is gekomen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding tot een andersluidend oordeel. Overwegingen en oordeel van de rechtbank inzake de toepassing van artikel 50 van Pro de Wajong met terugwerkende kracht, passen volledig binnen de ter zake van dit artikel, of vergelijkbare kortingsbepalingen uit andere arbeidsongeschiktheidswetten, door de Raad gevormde rechtspraak. De Raad volstaat hier met een verwijzing naar zijn uitspraken van 5 november 2008, LJN BG3717 en van 9 september 2011, LJN BS1117. Terecht heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de door hem in gevallen als het onderhavige gevolgde bestendige gedragslijn niet op consistente wijze zou hebben toegepast. Appellant diende redelijkerwijs te beseffen dat inkomsten van een omvang als door hem genoten van invloed konden zijn op het recht op, dan wel de hoogte van zijn uitkering in de verschillende bij het besluit van 7 december 2009 vermelde perioden.
4.4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) K.E. Haan
GdJ