ECLI:NL:CRVB:2013:CA0096

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-6093 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 18 maart 2010 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant in staat was om de geselecteerde functies te vervullen.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn enkelklachten, pols- en bovenarmbeperkingen, slaapproblemen en psychische klachten. Hij heeft medische stukken overgelegd, waaronder rapporten van huisartsen, een reumatoloog en een revalidatie-arts.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts van het UWV. De functionele beperkingen zijn adequaat in acht genomen en de geselecteerde functies zijn passend. Er is geen noodzaak tot het benoemen van een medisch deskundige.

De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/6093 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
31 augustus 2011, 11/544 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 8 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.M. van der Zwan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.C. Dekker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij besluit van 27 april 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 18 maart 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij op deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 9 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. Uitgaande van de voor appellant door de bezwaarverzekeringsarts aanvaarde functionele beperkingen, moest appellant volgens de rechtbank op en na 18 maart 2010 in staat worden geacht tot het vervullen van de geselecteerde functies.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met een aandoening aan zijn enkel. Daartoe heeft hij medische gegevens toegezonden van zijn huisartsen, een verslag van onderzoek door een reumatoloog en een afsprakenkaart in verband met neuropsychologisch onderzoek. Appellant heeft voorts gewezen op een verklaring van zijn revalidatie-arts die enkel- en knieklachten heeft vastgesteld en orthopedisch schoeisel heeft geadviseerd. Appellant heeft verder aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de functionele beperkingen van zijn polsen en zijn bovenarm. Tevens heeft hij gewezen op zijn slaapproblemen en zijn psychische klachten. De geselecteerde functies waren op 18 maart 2010 volgens appellant om medische redenen niet geschikt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad heeft geen aanleiding voor twijfel met betrekking tot de juistheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde conclusie van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. De stukken die in beroep en in hoger beroep door appellant zijn toegezonden bevatten geen aanknopingspunten om de bij hem vastgestelde belastbaarheid, zoals is neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst waarbij aanzienlijke beperkingen in acht zijn genomen, voor onjuist te houden. Er is geen aanleiding een medisch deskundige te benoemen om te rapporteren over de voor appellant geldende beperkingen.
4.2. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd is er geen aanleiding om te oordelen dat de geselecteerde functies niet passend zijn voor appellant.
4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) J.R. Baas
IJ