ECLI:NL:CRVB:2013:CA0099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- E.J. Govaers
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over hoogte dagloon en niet-inbaarheid loon bij WIA-uitkering
Appellante betwistte de hoogte van het dagloon waarnaar haar WIA-uitkering wordt berekend, omdat zij meent dat zij recht heeft op loon dat haar werkgever niet heeft uitbetaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het niet-uitbetaalde loon wel vorderbaar maar niet niet-inbaar was, omdat appellante onvoldoende actie had ondernomen om betaling af te dwingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar werkgever herhaaldelijk had gemaand en dat zij een vaststellingsovereenkomst had gesloten waarin de werkgever zich verplichtte het achterstallige loon te betalen. De werkgever heeft zich hier echter niet aan gehouden. Appellante zag af van loonvordering bij de kantonrechter vanwege de kosten.
De Raad overwoog dat volgens de wet het dagloon wordt vastgesteld op het daadwerkelijk genoten loon, met uitzondering van loon dat vorderbaar maar niet inbaar is, bijvoorbeeld als de werkgever niet wil of kan betalen. De Raad stelde vast dat de werkgever bereid was tot betaling, zoals blijkt uit de vaststellingsovereenkomst, die geen ruimte liet voor niet-betaling. Omdat appellante niet heeft gemaand tot betaling na de overeenkomst, is het loon niet niet-inbaar.
Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon terecht is vastgesteld en dat het achterstallige loon niet niet-inbaar is.