ECLI:NL:CRVB:2013:CA0178

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-5915 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op WGA-uitkering met vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij recht heeft op een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 41,84% en geschikt is voor passende werkzaamheden van zes uur per dag.

De rechtbank Almelo verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juiste weerspiegeling van de beperkingen van appellant geeft. Ook de arbeidskundige beoordeling werd onderschreven.

In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten en dat zijn arbeidsongeschiktheid hoger zou moeten zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek en de FML juist en zorgvuldig waren en dat de aangevoerde nieuwe medische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel.

De Raad bevestigde het oordeel dat de functies die appellant kan vervullen medisch geschikt zijn en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op een WGA-uitkering met 41,84% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

12/5915 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van
26 september 2012, 11/14 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 15 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [naam gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 12/5917 ZW en 13/63 ZW. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam gemachtigde]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. In de gevoegde zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 26 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na bezwaar, vastgesteld dat appellant per 21 juli 2008 onverminderd recht heeft op een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 41,84%. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in voor hem passende functies voor zes uur per dag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts heeft aangenomen dat sprake is van rugproblematiek en hypertensie en daarvoor beperkingen opgenomen in de FML. De bezwaarverzekeringsarts volgt de visie van de verzekeringsarts en neemt nog extra beperkingen aan in verband met duizeligheidsklachten. De klachten van slaperigheid hangen samen met het bij appellant vastgesteld obstructief slaapapneusyndroom, in verband waarmee de bezwaarverzekeringsarts appellant tot zes uur per dag belastbaar acht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de in de FML opgenomen beperkingen niet voldoende zijn. De rechtbank heeft in de stukken geen reden gevonden om een psychiater of psycholoog als deskundige te benoemen, te meer niet nu appellant niet onder behandeling is van een psychiater of psycholoog. Ook het feit dat de WSW-indicatie van appellant is ingetrokken, kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden.
2.2. De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Uitgaande van de FML is mede gelet op de toelichting van de arbeidsdeskundige in haar rapport van 19 februari (lees: november) 2010, aannemelijk dat appellant in staat is de functies te vervullen die aan de schatting ten grondslag liggen.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij hem bestaande klachten. Op basis van de uit die klachten voortkomende beperkingen meent appellant dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid hoger is dan door het Uwv is vastgesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie uit de behandelend sector op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat daarvan gemotiveerd en op inzichtelijke wijze is gerapporteerd.
4.2. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de FML. De Raad onderschrijft de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen, zoals samengevat weergegeven onder 2. De stukken die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, noch hetgeen namens hem ter zitting is aangevoerd, hebben aannemelijk gemaakt dat er aanleiding is om te oordelen dat hij op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, meer beperkingen heeft dan zijn neergelegd in de FML. Uit de brief van de tandarts van 27 juni 2012 blijkt dat deze uit de overzichtsfoto van de gehele kaak geen bijzonderheden heeft gevonden. Ook de ingezonden informatie uit 2012 en 2013 over de oogklachten geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de voor appellant op de datum hier in geding, 21 juli 2008, geldende belastbaarheid niet op juiste waarde is geschat. Appellant heeft zijn stelling dat voor hem meer psychische beperkingen gelden dan door het Uwv per datum in geding is aangenomen, op geen enkele wijze onderbouwd. Uit het voorgaande volgt dat ook de Raad geen aanleiding ziet voor het raadplegen van een medische deskundige.
4.3. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde beperkingen is in de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun voor de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn beperkingen niet te boven gaan en dat deze functies daarmee voor hem in medisch opzicht geschikt zijn te achten.
4.4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) H.J. Dekker
QH