ECLI:NL:CRVB:2013:CA0182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid ondanks vermoeidheidsklachten
Appellant was van 1991 tot 2006 werkzaam als supermarktmanager en meldde zich in januari 2010 ziek tijdens een werkloosheidsuitkering. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, die op 10 maart 2010 werd beëindigd omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel na beoordeling van medische rapporten en arbeidskundige onderzoeken, waarbij werd vastgesteld dat de arbeid fysiek niet zwaar was en appellant niet medisch onderbouwde dat hij niet acht uur per dag kon werken.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, waaronder chronisch vermoeidheidssyndroom, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen. De Raad concludeerde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden gedaan en dat de arbeidskundige rapporten bevestigden dat appellant geschikt was voor zijn werk.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 mei 2013.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk en wijst het hoger beroep af.