ECLI:NL:CRVB:2013:CA0197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid met fibromyalgie en ß-thalassemie
Appellante was caissière en viel in december 2000 volledig uit vanwege fibromyalgie en ß-thalassemie. Zij ontving een WAO-uitkering die in 2006 werd ingetrokken na een herbeoordeling waarbij haar beperkingen werden vastgesteld volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij een volgende herbeoordeling in 2007 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%, waarbij zij geschikt werd geacht voor diverse functies.
In 2010 meldde appellante zich ziek vanwege toegenomen klachten. Het UWV stelde in 2011 dat zij geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij geschikt was voor functies die in 2006 waren vastgesteld. Dit besluit werd bij bezwaar in stand gelaten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de juiste maatstaf arbeid de functies uit 2007 betrof en vernietigde het bestreden besluit.
De Raad constateerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor een toename van beperkingen sinds 2006. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellante geschikt was voor de functies die in 2007 waren vastgesteld. De rechtsgevolgen van het besluit werden echter in stand gelaten. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van ziekengeld wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.