ECLI:NL:CRVB:2013:CA0303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Minister moet besluit over invaliditeitspercentage na schietongeval herzien wegens onvoldoende motivering
Appellant, een voormalig dienstplichtig militair, raakte in 1977 gewond door een schot in de buik, wat werd erkend als een dienstongeval. Na zijn ontslag in 1978 ontving hij een militair invaliditeitspensioen (MIP) van 20%. In 2006 verzocht hij om verhoging van dit pensioen vanwege verergerde incontinentie, maar de minister wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de incontinentie het gevolg was van het schietongeval, terwijl de minister dit toeschreef aan de ziekte van Huntington. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige, die concludeerde dat de incontinentie zeer waarschijnlijk verband hield met het schietongeval en niet met de ziekte van Huntington. De Raad vond het rapport overtuigend en oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad droeg de minister op binnen twee maanden een nieuw besluit te nemen waarin het invaliditeitspercentage opnieuw wordt beoordeeld, uitgaande van het causaal verband tussen het schietongeval en de incontinentie. De procedure over een mogelijke schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Uitkomst: De minister wordt opgedragen het besluit te herzien en het invaliditeitspercentage opnieuw te beoordelen uitgaande van het causaal verband tussen het schietongeval en de incontinentie.