ECLI:NL:CRVB:2013:CA0376

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-7302 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • M.R. Schuurman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:71 AwbArtikel 18 BeroepswetWet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682)
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring bestuursrechter wegens privatisering stichting en overgang naar burgerlijk recht

Appellanten, werkzaam bij Stichting Activa, voerden aan dat hun ambtenarenstatus niet verloren mocht gaan door privatisering en dat de bestuursrechter bevoegd moest zijn om hun bezwaar te behandelen. De stichting had met statutenwijzigingen de overheidsinvloed beëindigd en de werkzaamheden overgedragen aan een besloten vennootschap, waardoor zij niet langer als bestuursorgaan kon worden aangemerkt.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, omdat de stichting geen bestuursorgaan meer is en de brieven geen bestuursrechtelijke besluiten bevatten. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat appellanten hun vorderingen bij de burgerlijke rechter moeten instellen.

De Raad benadrukte dat het privatiseringsproces en de statutenwijzigingen de rechtspositie van appellanten hebben veranderd en dat het bestuursrechtelijke beroep niet openstaat tegen feitelijke mededelingen van de stichting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De bestuursrechter is onbevoegd omdat de stichting sinds 1 januari 2010 geen bestuursorgaan meer is; appellanten kunnen hun vorderingen bij de burgerlijke rechter instellen.

Uitspraak

11/7302 AW, 11/7303 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 november 2011, 11/196 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
de Stichting Activa (stichting)
Datum uitspraak 16 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. A.A.M. van der Zandt hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van der Zandt. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap.
OVERWEGINGEN
1.1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
1.2. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
1.3. Bij brief van 21 oktober 2010 heeft de stichting aan appellanten kenbaar gemaakt dat de werkzaamheden van appellanten per 1 januari 2010 zijn overgegaan van de stichting naar Activa B.V., zodat appellanten vanaf voornoemde datum in dienst zijn van Activa B.V. De verplichtingen van de werkgever zijn dus overgegaan op Activa B.V. Appellanten hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4. Bij brief van 12 januari 2011 heeft de stichting haar standpunt uit de brief van 21 oktober 2010 herhaald en aan appellanten kenbaar gemaakt dat de stichting geen bestuursorgaan is in de zin van de Awb, zodat zij geen voor beroep vatbaar besluit kan nemen op het bezwaar van appellanten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen.
3. In hoger beroep hebben appellanten, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 2001, LJN AB0474, aangevoerd dat zij hun status als ambtenaar niet zijn verloren door privatisering van de stichting. Dit zou in strijd zijn met het gesloten stelsel van ontslaggronden in het ambtenarenrecht. Volgens appellanten heeft de stichting hen door privatisering in hun belangen geschaad door hun zonder rechtsbescherming het ambtenaarschap en het recht op (boven)wettelijke uitkeringen te ontnemen. De bestuursrechter zou in een dergelijk geval als de meest ter zake deskundige rechter bevoegd moeten zijn. Appellanten zijn bang geen gehoor te krijgen bij de burgerlijke rechter.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Anders dan de gemachtigde van de stichting ter zitting heeft gesteld, is de Raad bevoegd om kennis te nemen van het voorliggende hoger beroep. De aangevallen uitspraak is immers een uitspraak in de zin van afdeling 8.2.6. van de Awb, waartegen volgens artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep kan worden ingesteld.
4.2. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 6 september 2007, LJN BB4033) een stichting tot de openbare dienst kan behoren indien op grond van haar statuten blijkt van een overwegende invloed van de overheid op doelstelling, beheer en beleid.
4.3. De statuten van de stichting zijn in het verleden een aantal keren gewijzigd. Met de laatste statutenwijziging van 10 december 2009 is de invloed van de gemeente Enschede op de stichting, die door middel van een eerdere statutenwijziging al was teruggebracht, volledig beëindigd. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de stichting als gevolg van laatstgenoemde statutenwijziging in ieder geval vanaf 1 januari 2010 niet meer tot de openbare dienst behoort. Hieruit volgt dat de stichting geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 van Pro de Awb, zodat de brieven van de stichting van 21 oktober 2011 en 12 januari 2011 geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Tegen de in deze brieven vervatte feitelijke mededelingen over de rechtspositie van appellanten stond dan ook geen beroep open bij de bestuursrechter.
4.4. De rechtbank heeft zich op goede gronden onbevoegd verklaard. Gelet op dit oordeel dient hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd onbesproken te blijven.
4.5. Nu appellanten op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn voor de stichting, vermeldt de Raad, ter voldoening aan artikel 8:71 van Pro de Awb, dat appellanten inzake de brief van de stichting van 12 januari 2011 een vordering kunnen instellen bij de burgerlijke rechter.
4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) M.R. Schuurman
HD