ECLI:NL:CRVB:2013:CA0520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-5102 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering meerinkomen studiefinanciering ondanks bijzondere zorgsituatie

Appellant ontving in 2008 studiefinanciering en had daarnaast inkomsten uit arbeid die de bijverdiengrens overschreden. De minister legde een vordering wegens meerinkomen op, die door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd. Appellant voerde aan dat zijn bijzondere situatie, waarbij hij zorg droeg voor een pleegkind, het onmogelijk maakte om de studiefinanciering te stoppen of het bijverdienen te staken, en verzocht toepassing van de hardheidsclausule.

De Raad overwoog dat de wettelijke regeling en jurisprudentie slechts in zeer bijzondere omstandigheden toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen, namelijk wanneer het fysiek onmogelijk is om de bijverdiensten te staken of het studiefinancieringstijdvak in te korten. Dit was in het onderhavige geval niet gebleken. De bijzondere zorgsituatie van appellant vormde geen grond voor afwijking van de regel dat toetsingsinkomen bepalend is voor de vordering.

Verder wees de Raad erop dat studerenden die een kind verzorgen de mogelijkheid hebben een toeslag aan te vragen, maar appellant voldeed niet aan de voorwaarden daarvoor. Toepassing van de hardheidsclausule om appellant in een vergelijkbare financiële positie te brengen als die studerenden zou in strijd zijn met de wettelijke bedoeling. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de vordering gehandhaafd.

Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen wordt gehandhaafd; toepassing van de hardheidsclausule wordt geweigerd.

Uitspraak

12/5102 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 augustus 2012, 11/663 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 17 mei 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft C. Zeldenrust, vader van appellant, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft in 2008 studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Naast deze studiefinanciering heeft hij in dit jaar inkomsten uit arbeid genoten.
1.2. De Minister heeft bij besluit van 16 april 2011 aan appellant meegedeeld dat over 2008 een vordering wegens meerinkomen is opgelegd omdat appellant de bijverdiengrens in dat jaar heeft overschreden. De vordering bedraagt € 2.450,75, welk bedrag is samengesteld uit een bedrag aan toetsingsinkomen en een bedrag voor de beschikbaar gestelde reisvoorziening.
1.3. De Minister heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 10 augustus 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Onder meer is vermeld dat, anders dan appellant meent, de situatie waarin hij in 2008 verkeerde niet dusdanig bijzonder is dat toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de Minister in redelijkheid de toepassing van de hardheidsclausule achterwege heeft kunnen laten. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat uit de jurisprudentie blijkt dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule kan worden toegepast, waarbij het de studerende onmogelijk is of in redelijkheid niet kan worden gevergd om de bijverdiensten te staken of het studiefinancieringstijdvak in te korten, waardoor mogelijk geen meerinkomen zou ontstaan. In het geval van appellant is daarvan geen sprake. De door appellant geschetste bijzondere omstandigheden aangaande zijn slechte financiële positie alsmede zijn woon- en gezinssituatie kunnen volgens de rechtbank dus niet als dergelijke zeer bijzondere omstandigheden worden aangemerkt.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank het bijzondere van de situatie waarin hij in 2008 verkeerde onvoldoende heeft onderkend. Die situatie bracht- onder meer - mee dat er geen mogelijkheid bestond de studiefinanciering (tijdig) stop te zetten, dan wel het bijverdienen (tijdig) te staken. Appellant had vanaf medio augustus 2008 de (financiële) zorg over zijn bij hem wonende pleegkind, de minderjarige zoon van zijn huidige echtgenote die toen (nog) in Finland woonde. De kosten die appellant in dit verband moest maken lieten niet toe dat hij zijn bijverdiensten zou staken of zijn studiefinanciering zou stopzetten.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat appellant in 2008 meerinkomen heeft genoten.
4.2. Ook de Raad is in het onderhavige geval niet gebleken dat onverkorte toepassing van het bepaalde in artikel 3.17 van de Wsf 2000 heeft geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan de Minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule. Weliswaar is het achterwege laten van een vordering wegens meerinkomen in 2008 met toepassing van de hardheidsclausule mogelijk, maar de Minister gaat daartoe - in beginsel - slechts over indien het de studerende (fysiek) onmogelijk is geweest om de bijverdiensten te staken of het studiefinancieringstijdvak in te korten. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van de Raad van 3 augustus 2012, LJN BX3623. Niet is gebleken dat appellant in die onmogelijkheid heeft verkeerd.
4.3. Hoewel bij appellant onmiskenbaar niet sprake is van een alledaagse situatie, is die situatie niet zo bijzonder dat de Minister daarin aanleiding heeft moeten zien om in afwijking van de in 4.2 beschreven gedragslijn de hardheidsclausule toe te passen. Uit de tekst van artikel 3.17 van de Wsf 2000 kan niet anders worden afgeleid dan dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet is dat de Minister een vordering wegens meerinkomen vaststelt indien een studerende in een kalenderjaar een hoger toetsingsinkomen heeft dan de toepasselijke vrije voet. Het betoog van appellant komt erop neer dat hij extra kosten heeft moeten maken omdat hij de zorg voor zijn pleegkind op zich had genomen, en dat hij zijn studiefinanciering en zijn inkomen uit arbeid daarvoor nodig had. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 oktober 2008, LJN BF6697, is er bij de vaststelling van het toetsingsinkomen, en - dus - bij de bepaling van (de hoogte van) de vordering wegens meerinkomen, geen aanleiding rekening te houden met de redenen die een studerende heeft om loonvormende arbeid te verrichten dan wel de wijze waarop toetsingsinkomen is aangewend. Er is geen grond te oordelen dat de rechtbank, die met betrekking tot de onmogelijkheid toepassing te geven aan de hardheidsclausule tot hetzelfde oordeel is gekomen, bij haar beoordeling onvoldoende acht heeft geslagen op de door appellant naar voren gebrachte feiten.
4.4. Nu de wettelijke regeling studerenden die, al dan niet samen met een partner, een kind verzorgen uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt een eenouder- of een partnertoeslag aan te vragen, maar appellant niet aan de voorwaarden voor toekenning voldoet, kan niet met toepassing van de hardheidsclausule worden bereikt dat appellant in een zelfde of vergelijkbare financiële positie wordt gebracht als studerenden die wel aan de voorwaarden voldoen. De Minister heeft daar, zij het in andere bewoordingen, in zijn verweerschrift in hoger beroep terecht op gewezen. Dit zou in strijd zijn met de bedoeling van de werkgever.
4.5. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2012.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) G.J. van Gendt
JvC