ECLI:NL:CRVB:2013:CA1198

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-3920 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep WWB-zaken

In deze bestuursrechtelijke zaak betreft het een hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage inzake een WWB-zaak. De Centrale Raad van Beroep had het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante niet voldeed aan de procesvereisten.

Appellante heeft vervolgens verzet ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Raad heeft ambtshalve onderzocht of het verzet ontvankelijk was. Uit de stukken blijkt dat appellante, ondanks een termijn van vier weken om de gronden van het verzet in te dienen, deze niet heeft aangevoerd. Ook na het verstrijken van de termijn zijn geen gronden ingediend.

De Raad concludeert dat er geen omstandigheden zijn die het niet indienen van de gronden kunnen rechtvaardigen. Daarom verklaart de Raad het verzet niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 mei 2013.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van verzetgronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

12/3920 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juni 2012, 12/1305 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage
Datum uitspraak 24 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 6 november 2012 heeft de Raad het namens appellante door mr. M.K. Bhadai, advocaat, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 6 november 2012 heer mr. Bhadai namens appellante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 april 2013, waar partijen niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De Raad stelt in dat verband vast dat de gemachtigde van appellante geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 21 januari 2013 gestelde termijn van vier weken de gronden van het verzet in te dienen. Ook na het verstrijken van die termijn zijn geen gronden ingediend.
Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat dit niet aan (de gemachtigde van) appellante kan worden verweten, is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2013.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
KR