ECLI:NL:CRVB:2013:CA1209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres
Appellant ontving vanaf 15 augustus 2005 bijstand op grond van de WWB en gaf bij aanvraag op dat hij woonde bij zijn zuster op een bepaald adres. Een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie leidde tot de conclusie dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op dat adres en niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting. Het college trok daarom de bijstand over de periode 15 augustus 2005 tot en met 16 januari 2008 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond en de Raad bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelt dat appellant onjuiste en onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn woonadres, waardoor het college niet kon vaststellen of hij recht had op bijstand. De verklaringen van appellant, zijn zuster en broer ondersteunen deze conclusie.
Appellant voerde onder meer aan dat het rechtszekerheidsbeginsel hem bescherming bood en dat het woonstee-concept van het Burgerlijk Wetboek toegepast moest worden, maar deze verweren werden verworpen. Ook het beroep op een daklozenuitkering werd niet in behandeling genomen omdat daarvoor geen aanvraag was ingediend. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand over de periode 15 augustus 2005 tot en met 16 januari 2008 wordt bevestigd wegens niet-naleving van de inlichtingenverplichting.