ECLI:NL:CRVB:2013:CA1217

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-5749 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 NRGAArt. 2.4 NRGAArt. 12.5 NRGAWet gelijke behandeling mannen en vrouwen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke aanstelling ambtenaar en aanzeggingstermijn

Appellante was sinds 26 januari 2009 in tijdelijke dienst bij de gemeente Amsterdam, met meerdere verlengingen tot 1 januari 2011. Na afwijzing voor een vaste functie ontving zij op 22 december 2010 een schriftelijke aanzegging van ontslag per 1 januari 2011.

Appellante stelde dat zij ten onrechte in tijdelijke dienst was aangesteld en dat het college haar aanstelling wegens zwangerschap niet had verlengd, wat volgens haar discriminatie inhield. Ook betoogde zij dat het college de aanzegtermijn van vijf weken niet had gerespecteerd, waardoor haar dienstverband verlengd zou zijn.

De Raad oordeelde dat de afwijzing voor de vaste functie buiten de procedure viel en dat eerdere tijdelijke aanstellingen niet waren aangevochten, waardoor deze rechtsgeldig waren. Er waren geen aanwijzingen voor discriminatie en de niet-naleving van de aanzegtermijn leidde niet tot verlenging omdat appellante na 1 januari 2011 geen werkzaamheden meer verrichtte. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de tijdelijke aanstelling per 1 januari 2011 bevestigd.

Uitspraak

11/5749 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 augustus 2011, 11/2447 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 23 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.H. Garretsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Garretsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is ingevolge artikel 2.4 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) met ingang van 26 januari 2009 aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd als inkomensconsulent bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam. Deze aanstelling is vervolgens zes maal verlengd, laatstelijk voor een periode tot 1 januari 2011.
1.2. Naar aanleiding van haar sollicitatie naar de functie van inkomensconsulent bij het Jongerenteam van de DWI, is appellante bij besluit van 2 december 2010 afgewezen voor deze functie. Appellante heeft tegen deze afwijzing geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. Bij besluit van 22 december 2010 heeft het college ingevolge artikel 12.5, eerste lid, van de NRGA aan appellante meegedeeld dat haar aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd met ingang van 1 januari 2011 eindigt.
1.4. Bij besluit van 28 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 december 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft het ontslag van appellante niet tijdig schriftelijk aangezegd en zal de nadelige gevolgen hiervan compenseren door de bezoldiging van appellante uit te betalen over de periode van
1 januari 2011 tot 27 januari 2011. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1. Het besluit van 2 december 2010 over de afwijzing voor de sollicitatie van appellante valt buiten de omvang van dit geding. Als zij tegen de afwijzing voor de functie bij het Jongerenteam had willen opkomen had zij tegen dat besluit bezwaar moeten maken. Appellante heeft dit expliciet niet gedaan.
3.2. Appellante heeft aangevoerd dat zij geen tijdelijke werkzaamheden verrichtte, maar regulier werk, zodat zij ten onrechte aanstellingen in tijdelijke dienst ingevolge artikel 2.4 van de NRGA heeft gekregen. Zij had een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef moeten krijgen, die op grond van artikel 2.3, vijfde lid, van de NRGA, maximaal twee jaar mag duren. Indien appellante het niet eens was met de besluiten waarmee zij steeds is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van artikel 2.4 van de NRGA, had zij hiertegen echter bezwaar kunnen maken. Dit heeft appellante niet gedaan. Hierdoor zijn deze besluiten in rechte onaantastbaar geworden. Het besluit van 22 december 2010 is een schriftelijke aanzegging van het ontslag van appellante en ziet niet op de vorm van de tijdelijke aanstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
3.3. Appellante heeft verder een beroep gedaan op de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (Wet). Zij meent dat het college haar aanstelling zou hebben verlengd als zij niet zwanger was geweest. De feiten die appellante heeft aangevoerd die een onderscheid als bedoeld in de Wet kunnen doen vermoeden, zijn de afwijzing voor de functie van Inkomensconsulent bij het Jongerenteam, het vóór 1 januari 2011 tot zes keer toe verlengen van haar tijdelijke aanstelling, en het omzetten van de tijdelijke aanstelling in een vast dienstverband bij andere medewerkers van de DWI. Voor de stelling van appellante zijn geen aanknopingspunten te vinden in de stukken noch in hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Uit de stukken is gebleken dat appellante is afgewezen voor de functie van inkomensconsulent omdat zij niet de meest geschikte kandidaat was. Zij kwam tijdens het sollicitatiegesprek onzeker en afwachtend over, terwijl het Jongerenteam op zoek was naar een initiërende medewerker. De tijdelijke aanstelling van appellante is na 1 januari 2011 niet verlengd vanwege een substantiële bezuinigingsopdracht en een selectieve vacaturestop waardoor tijdelijke aanstellingen die van rechtswege afliepen in beginsel niet werden verlengd. Verder heeft het college erkend dat de tijdelijke aanstelling van negen medewerkers van de DWI is omgezet in een vaste aanstelling, maar het betrof hier medewerkers die werkzaam waren in een specialistische functie. De functie van appellante was niet van specialistische aard. Alle overige tijdelijke aanstellingen van medewerkers bij de DWI zijn niet verlengd of omgezet in een vast dienstverband. De beroepsgrond slaagt niet.
3.4. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat, nu het college de aanzegging als bedoeld in artikel 12.5, eerste lid, van de NRGA niet vijf weken van te voren heeft gedaan, haar aanstelling is verlengd tot vijf weken na de aanzegging. Appellante heeft haar aanstelling na 1 januari 2011 fictief feitelijk voortgezet, omdat zij op dat moment al met zwangerschapsverlof was. De Raad stelt vast dat de aanstelling van appellante van rechtswege is geëindigd op 1 januari 2011. Ingevolge artikel 12.5, eerste lid, van de NRGA wordt appellante per die datum geacht te zijn ontslagen. Het college heeft de aanzegtermijn weliswaar niet in acht genomen, maar appellante heeft de aanstelling na 1 januari 2011 feitelijk niet voortgezet. Vaststaat dat appellante na 1 januari 2011 geen werkzaamheden meer heeft verricht. De NRGA kent geen fictieve feitelijke voortzetting van werkzaamheden. Reeds hierom is het college er terecht vanuit gegaan dat appellante de aanstelling niet feitelijk heeft voortgezet. De beroepsgrond slaagt niet.
3.5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2013.
De voorzitter is buiten staat te ondertekenen
(getekend) B. Rikhof
HD