ECLI:NL:CRVB:2013:CA1458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bij toekenning WWB-geldlening gekoppeld aan verkoop woning
Appellante diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag aanvankelijk af, maar kende bij besluit bijstand toe in de vorm van een geldlening vanwege het bezit van onroerende zaken in Brazilië en het vermogen dat hoger was dan het vrij te laten bedrag.
Appellante stelde dat schulden aan haar ex-echtgenoot, vastgelegd in een echtscheidingsconvenant, in mindering moesten worden gebracht op haar vermogen. De rechtbank oordeelde dat hoewel de schulden aannemelijk waren, de terugbetalingsverplichting afhankelijk was gesteld van de verkoop van de woning, een onzekere toekomstige gebeurtenis, waardoor er geen daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad benadrukte dat niet alleen het tijdstip van aflossing onzeker is, maar ook of de opbrengst van de woning voldoende is om de schulden te voldoen, mede door onzekerheden over de woningwaarde en aftrekposten zoals echtscheidings- en verkoopkosten.
Hierdoor kon de schuld niet worden gesaldeerd met het vermogen, en werd het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestaat.