Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1458

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-5178 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bij toekenning WWB-geldlening gekoppeld aan verkoop woning

Appellante diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag aanvankelijk af, maar kende bij besluit bijstand toe in de vorm van een geldlening vanwege het bezit van onroerende zaken in Brazilië en het vermogen dat hoger was dan het vrij te laten bedrag.

Appellante stelde dat schulden aan haar ex-echtgenoot, vastgelegd in een echtscheidingsconvenant, in mindering moesten worden gebracht op haar vermogen. De rechtbank oordeelde dat hoewel de schulden aannemelijk waren, de terugbetalingsverplichting afhankelijk was gesteld van de verkoop van de woning, een onzekere toekomstige gebeurtenis, waardoor er geen daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestond.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad benadrukte dat niet alleen het tijdstip van aflossing onzeker is, maar ook of de opbrengst van de woning voldoende is om de schulden te voldoen, mede door onzekerheden over de woningwaarde en aftrekposten zoals echtscheidings- en verkoopkosten.

Hierdoor kon de schuld niet worden gesaldeerd met het vermogen, en werd het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestaat.

Uitspraak

11/5178 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2011, 11/1173 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 28 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. Voor appellante is verschenen mr. Klijnstra. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft op 4 juni 2010 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.
1.1. Bij besluit van 25 november 2010 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat zij over voldoende middelen beschikt om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
1.2. Bij besluit van 22 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat aan appellante met ingang van 4 juni 2010 bijstand in de vorm van een geldlening is toegekend. De bijstand is in de vorm van een geldlening verstrekt omdat appellante samen met haar ex-echtgenoot eigenaar is van onroerende zaken in Brazilië en haar vermogen hoger is dan het vrij te laten vermogen. Daarbij heeft het college geen rekening gehouden met de in het echtscheidingsconvenant opgenomen schulden van appellante aan haar ex-echtgenoot van onderscheidenlijk € 7.300,-- en € 2.400,--.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel, zich beperkend tot de vraag die partijen verdeeld houdt namelijk of het college de genoemde schulden terecht niet op het vermogen in mindering heeft gebracht, dat de schulden wel voldoende aannemelijk zijn gemaakt, doch dat de verplichting tot terugbetaling afhankelijk is gesteld van een onzekere gebeurtenis in de toekomst zodat er niet gesproken kan worden van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.
3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.
4.2. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 25 januari 2011, LJN BP3312), dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is geworden en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.
4.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat sprake is van schulden met een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling, nu de terugbetalingverplichting is vastgelegd in een echtscheidingsconvenant van 17 november 2010. In het convenant is onder meer opgenomen dat appellante en haar ex-echtgenoot gezamenlijk eigenaar zijn van een huis in Goiania in Brazilië met een geschatte waarde van omgerekend € 35.900.--, dat de woning aan de man wordt toebedeeld onder betaling van de helft van de waarde aan appellante en dat de ex-echtgenoot gerechtigd is de schulden te verrekenen met het aan appellante toekomende bedrag na verkoop van de woning.
4.4. Anders dan appellante meent, is in dit geval geen sprake van een reële terugbetalingsverplichting, nu de aflossing is gekoppeld aan de verkoop van de woning en daardoor afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Daarbij is van belang dat niet alleen het tijdstip waarop de schuld wordt afgelost onzeker is, maar ook of de opbrengst van de verkoop van de woning toereikend is om de schulden van appellante af te lossen, gelet op de (onzekerheid over de) waarde van de woning, de hoogte van de schuld en de overige posten die volgens appellante op de opbrengst in mindering moeten worden gebracht, zoals de kosten van de echtscheiding en de kosten van de verkoop van de woning.
4.5. Uit wat onder 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BES LISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.
(getekend) A.B.J. van der Ham
de griffier is buiten staat om te tekenen
ew