ECLI:NL:CRVB:2013:CA1516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1996 met onderbrekingen bijstand. Het college stelde vast dat appellant werkzaamheden verrichtte en een gezamenlijke huishouding voerde met twee personen, zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand over diverse perioden ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onduidelijkheid over de perioden van intrekking, maar bevestigde de schending van de inlichtingenplicht en het bestaan van gezamenlijke huishouding. Het college nam een nieuw besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde appellant dat de intrekking wegens gezamenlijke huishouding was komen te vervallen, wat werd verworpen. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt recht te hebben op bijstand over de maanden met inkomsten, mede omdat geen administratie was bijgehouden.
De Raad bevestigde dat sprake was van gezamenlijke huishouding met beide personen over de aangegeven perioden, gesteund door verklaringen en financiële gegevens. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van het college bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.