ECLI:NL:CRVB:2013:CA1520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-2397 WIA-W3
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechter in hoger beroep WIA-zaken

Verzoeker stelde een wrakingsverzoek in tegen mr. J.W. Schuttel, de behandelend rechter in een hoger beroepszaak over een WIA-uitkering. Verzoeker vond dat mr. Schuttel vooringenomen was omdat hij voorafgaand aan de zitting geen deskundigen benoemde en de zaak niet verwees naar een meervoudige kamer.

De Raad overwoog dat dergelijke procedurele beslissingen niet automatisch aanleiding geven tot wraking, tenzij blijkt dat de rechter vooringenomen is. De enkele omstandigheid dat mr. Schuttel geen gehoor gaf aan het verzoek om deskundigen en geen meervoudige kamer inschakelde, vormt hiervoor geen aanknopingspunt.

De Raad wees ook op de schriftelijke reactie van mr. Schuttel waarin hij aangaf dat de noodzaak van deskundigenonderzoek en verwijzing naar een meervoudige kamer in raadkamer zal worden beoordeeld. Na behandeling van het verzoek tot wraking en meerdere wrakingsverzoeken tegen leden van de wrakingskamer, werd het wrakingsverzoek afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 mei 2013, waarbij de voorzitter en leden het verzoek tot wraking verwierpen en tevens bepaalden dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaak niet in behandeling worden genomen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter is afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

12/2397 WIA-W3
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gedaan door
[A. te B.] (verzoeker)
Datum beslissing: 28 mei 2013
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 maart 2012, 10/1748, in het geding tussen verzoeker en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Voor de aanvang van het geplande onderzoek ter zitting op 15 februari 2013, heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter mr. J.W. Schuttel. Mr. Schuttel heeft in een schriftelijke reactie van 10 februari 2013 te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust en dat de vraag of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, te zijner tijd in raadkamer zal worden bezien.
De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Verzoeker is verschenen. Mr. Schuttel heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om ter zitting te worden gehoord.
Op 27 februari 2013 heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij de reactie van mr. Schuttel pas na de zitting heeft ontvangen. Hierin heeft de wrakingskamer aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en verzoeker in de gelegenheid te stellen op de reactie van mr. Schuttel te reageren. Ook is gevraagd om toestemming om het wrakingsverzoek zonder een nadere zitting af te doen. Verzoeker heeft die toestemming niet gegeven.
Bij brief van 11 maart 2013 heeft verzoeker, voordat een uitnodiging voor een nieuwe zitting was verzonden, de voorzitter van de wrakingskamer, mr. E.J.M. Heijs, gewraakt. Het verzoek tot wraking van mr. Heijs is bij beslissing van 2 april 2013, 12/2397 WIA-W, afgewezen.
De behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Schuttel zou ter zitting van 15 april 2013 worden voortgezet. Voorafgaand aan die zitting heeft verzoeker twee leden van de wrakingskamer, mr. B.J. van de Griend en mr. M. Hillen, gewraakt. Nadien heeft verzoeker opnieuw de voorzitter van de wrakingskamer, mr. Heijs gewraakt. Het verzoek tot wraking van mr. Heijs, mr. Van de Griend en mr. Hillen is bij beslissing van 8 mei 2013, 12/2397 WIA-W2, afgewezen. Tevens is bepaald dat een volgend verzoek om wraking van de behandelende rechters in deze hoger beroepszaak van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.
De behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Schuttel is voortgezet op 21 mei 2013. Verzoeker is verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd. Mr. Schuttel heeft voorafgaand aan de geplande zitting op 15 februari 2013 ten onrechte geen medisch deskundigen benoemd en de zaak niet verwezen naar een meervoudige kamer. Hiermee heeft hij blijk gegeven van vooringenomenheid ten aanzien van het door de Raad nog te beslechten geschil.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. De beslissing om voorafgaand aan het geplande onderzoek ter zitting op 15 februari 2013 geen deskundigen te benoemen dan wel de zaak niet te verwijzen naar een meervoudige kamer van de Raad is een procedurele beslissing van de behandelend rechter. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (CRvB 3 december 2010, LJN BO6452), is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en kunnen deze beslissingen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als uit de procedurele beslissing blijkt van vooringenomenheid van de rechter die deze beslissing heeft genomen. De enkele omstandigheid dat mr. Schuttel op voorhand geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om deskundigen te benoemen en geen aanleiding heeft gezien de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen, vormt geen aanknopingpunt voor het oordeel dat hij met betrekking tot de beoordeling van het hoger beroep ten opzichte van verzoeker vooringenomen is dan wel dat vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. De Raad wijst in dit verband ook op de schriftelijke reactie van mr. Schuttel van 10 februari 2013, waarin hij te kennen geeft dat de vraag of deskundigenonderzoek noodzakelijk is, te zijner tijd in raadkamer - naar aanleiding van de behandeling van het onderzoek ter zitting - dient te worden bezien. Dat laatste geldt ook voor de vraag of verwijzing dient plaats te vinden naar een meervoudige kamer.
3.2. Uit 3.1 volgt dat het verzoek om mr. Schuttel te wraken moet worden afgewezen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) T.A. Meijering