ECLI:NL:CRVB:2013:CA1730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellante werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstand over de periode 1 november 2007 tot en met 30 september 2009, omdat zij met [partner] een gezamenlijke huishouding zou voeren, wat niet was gemeld. De rechtbank had het besluit vernietigd vanwege onduidelijkheid over de feitelijke grondslag voor terugvordering bij [partner], maar erkende wel de gezamenlijke huishouding.
In hoger beroep stond de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding centraal. Appellante erkende een gezamenlijke huishouding vanaf 1 november 2008, maar betwistte de eerdere datum. De Raad toetste dit aan de wettelijke definitie van gezamenlijke huishouding volgens de WWB, waarbij het delen van hoofdverblijf en kosten centraal staat.
De Raad oordeelde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank, die de terugvordering van bijstand aan appellante bevestigde vanaf 1 november 2008, juist was. Het beroep tegen het collegebesluit van 21 juni 2011 werd ongegrond verklaard omdat het college conform de uitspraak had gehandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 21 juni 2011 wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd vanaf 1 november 2008.