ECLI:NL:CRVB:2013:CA2107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar de gemeente stelde na onderzoek vast dat zij vanaf september 2010 een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar oudste kind, zonder dit te melden. De bijstand werd daarom ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking deels niet-ontvankelijk en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de verklaring van de vader minder geloofwaardig was dan die van de hoofdbewoner van diens adres.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen en waarnemingen voldoende grond boden om aan te nemen dat appellante en de vader hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. De schending van de inlichtingenplicht rechtvaardigde de intrekking van de bijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.