ECLI:NL:CRVB:2013:CA2109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van september 2004 tot december 2009. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in voor een deel van deze periode vanwege niet verklaarde kasstortingen en vermoeden van zwarte inkomsten.
Een onderzoek door de sociale recherche leidde tot het besluit de bijstand over twee perioden in te trekken en de kosten terug te vorderen, omdat appellante haar werkzaamheden als huishoudelijke hulp en inkomsten niet had gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten niet de werkzaamheden en het niet melden daarvan, maar stelden dat zij toch recht hadden op bijstand en dat slechts de daadwerkelijk genoten geringe inkomsten teruggevorderd mochten worden.
De Raad oordeelde dat schending van de inlichtingenplicht een geldige grond is voor intrekking als niet kan worden vastgesteld of bijstand gerechtvaardigd was. Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij recht hadden op bijstand over de betreffende perioden, mede door het ontbreken van verifieerbare gegevens en wisselende verklaringen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.