ECLI:NL:CRVB:2013:CA2431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster en assistent-leidster kinderdagverblijf, meldde zich op 5 januari 2009 ziek vanwege psychische en lichamelijke klachten. Het UWV besloot op 11 november 2010 dat zij geen recht had op een WIA-uitkering per 3 januari 2011. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep gehandhaafd door de rechtbank Arnhem en vervolgens bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.
In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zij volledig arbeidsongeschikt was, onderbouwd met verklaringen van haar artsen en een psycholoog. De Raad oordeelde echter dat deze nieuwe argumenten geen wezenlijke nieuwe feiten bevatten en dat het UWV terecht geen verdere beperkingen had vastgesteld. De bevindingen van de psycholoog kwamen grotendeels overeen met die van de verzekeringsarts.
Verder werd in hoger beroep toegelicht dat de functie van folieverwerker niet geschikt was vanwege medicatiegebruik, maar dat de functie van productiemedewerker industrie wel passend was. Hierdoor bleef de schatting van het verdienvermogen op 0% verlies staan. De Raad zag geen reden om het oordeel van het UWV te wijzigen en wees het hoger beroep af.
Vanwege de nadere toelichting in hoger beroep werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, in totaal €1.888,-. De uitspraak werd op 7 juni 2013 in het openbaar gedaan door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.