ECLI:NL:CRVB:2013:CA2976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding eigen auto wegens adequaat openbaar vervoer bij vervoersvoorziening
Appellante, meervoudig gehandicapt met ernstige gedragsstoornissen, vroeg een vergoeding voor het gebruik van haar eigen auto als vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het college wees deze aanvraag af op basis van een advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), dat stelde dat haar vervoersbehoefte kon worden voorzien door een combinatie van duwrolstoel en aanvullend openbaar vervoer (AOV), welke de goedkoopst adequate oplossing vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en verwierp het verweer dat het CIZ-advies onzorgvuldig en innerlijk tegenstrijdig was. Ook vond de rechtbank geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijke medisch deskundige, aangezien appellante geen medische gegevens overlegde die haar ongeschiktheid voor het AOV onderbouwden.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte het CIZ-advies niet kritisch had beoordeeld en dat het AOV niet geschikt was voor haar, terwijl vervoer met de eigen auto dat wel was. Tevens voerde zij aan dat het AOV niet de goedkoopste voorziening zou zijn en deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, verwierp de beroepsgronden en bevestigde dat geen medische gegevens waren aangeleverd die het standpunt van appellante ondersteunden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd niet onderbouwd en faalde eveneens. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de vergoeding voor het gebruik van de eigen auto wordt bevestigd.