ECLI:NL:CRVB:2013:CA2990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing taxikostenvergoeding wegens voldoende aanvullend openbaar vervoer
Appellante, die vanwege chronische pijnklachten en een hart- en vaatziekte beperkt is in haar mobiliteit, vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vervoersvoorziening in de vorm van een taxikostenvergoeding aan. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, stellende dat zij haar vervoersbehoefte kan voorzien met het aanvullend openbaar vervoer, deur-tot-deur plus (AOVdtdplus).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellante onvoldoende onderbouwde dat het AOVdtdplus ongeschikt is voor haar situatie. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder haar beperkte zitduur en schokgevoeligheid, en stelde dat taxi vervoer beter geschikt zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen wezenlijk nieuwe argumenten had aangevoerd en sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Medische adviezen gaven geen aanleiding tot andersoortig vervoer dan AOVdtdplus. Ook de wachttijden en reistijden van het AOVdtdplus werden niet als onredelijk lang beoordeeld. De mogelijkheid om in het AOV-busje te liggen werd bevestigd.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee de aanvraag voor taxikostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor een taxikostenvergoeding wordt afgewezen omdat aanvullend openbaar vervoer voldoende voorziet in de vervoersbehoefte van appellante.